TNTL 117/3

Joke van der Wiel

Hoofdstukken uit de geschiedenis van de Vlaamse letterkunde in de negentiende eeuw / onder red. van Ada Deprez, Walter Gobbers en Karel Wauters. - Gent : Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1999-.... - 2 dl. ; 24 cm. - ( Studies op het gebied van de moderne Nederlandse literatuur ; nr. 1)

ISBN 90-72474-24-4 Prijs: 750 BEF

Een ‘ware lijdensgeschiedenis’ -- aldus typeert de redactie in haar ‘Ten geleide’ de totstandkoming van de Hoofdstukken uit de geschiedenis van de Vlaamse letterkunde in de negentiende eeuw, waarvan het eerste deel is verschenen. Een geschiedenis die zich uitstrekt over meer dan zestig jaar: het onderhavige werk is immers in oorsprong het ontbrekende deel 8 van de Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden, indertijd opgezet onder het hoofdredacteurschap van Frank Baur. Nadat de eerste zeven delen vanaf 1939 tot en met 1952 met enige regelmaat op de markt kwamen, verschenen de overige druppelsgewijs: deel 6 in 1975, deel 10 in 1988 en dan nu, weer meer dan tien jaar later, de eerste Hoofdstukken uit een reeks die Vlaamse letterkunde in de negentiende eeuw zal beschrijven. Over de oorzaken van de vertraging handelt het ‘Ten geleide’: uitgeversperikelen, gebrek aan middelen, onderbreking van de personele continuïteit belemmerden de voortgang en schiepen een achterstand die op zichzelf weer voor nieuwe, remmende complicaties zorgde: de in de loop van zestig jaar veranderende literairhistorische inzichten noodzaakten -- meer dan eens, zou men kunnen toevoegen -- tot methodologische heroriëntatie; het groeiend inzicht dat een literatuurgeschiedenis die het gehele domein van de Nederlandstalige letterkunde omvat, slechts het product van teamwerk kan zijn, noopte tot herstructurering van de opzet. Als de ‘eigenlijke wonde plek’ beschouwt de redactie echter het gebrek aan vooronderzoek op het terrein van de negentiende-eeuwse Vlaamse letterkunde. Bijna afgunstig wordt verwezen naar de veel betere uitgangspositie die de samenstellers van deel 10 over de periode vanaf Van Nu en Straks bezaten: een veel aantrekkelijker, ‘want artistiek waardevoller’ stof had immers voor een blijvende belangstelling van literairhistorische zijde gezorgd (p. VI). Niettemin kan de redactie wijzen op een aantal indrukwekkende projecten die vanaf ongeveer 1960 in Vlaanderen van de grond zijn gekomen, zoals de reeksen correspondentie-uitgaven onder leiding van Ada Deprez, de Bibliografie van de Vlaamse literatuur in de negentiende eeuw (1981) en de ontsluiting van ruim honderd periodieken in de Bibliografie van de Vlaamse tijdschriften in de negentiende eeuw (1983-...).

Het werkplan uit 1973 van de toenmalige hoofdredactie -- Ger Schmook en Ada Deprez -- voorzag in een veelomvattende, driedelige literatuurgeschiedenis met uitgebreide inleidingen over de sociale en culturele achtergronden, een lange reeks auteursprofielen en als hoofdmoot de behandeling van de literaire genres. Ook voor onderwerpen zoals het tijdschriftenwezen, de uitgeverij en boekhandel, vertalingen, alsmede de Franstalige productie uit Vlaanderen zou plaats worden ingeruimd. Toen de uitgezette taken wederom slechts ten dele tot voltooiing geraakten, heeft de redactie -- inmiddels bestaande uit Ada Deprez, Walter Gobbers en Karel Wauters -- besloten tot een alternatieve publicatievorm: deze reeks Hoofdstukken. De relatie met ‘de grote Baur’ is nog slechts van historische aard, maar ook intern zijn de eisen tot inhoudelijke, structurele of stilistische samenhang die men aan een afgeronde literatuurgeschiedenis zou stellen, vooralsnog losgelaten.

Al vaart dus dit eerste deel onder een vanuit het verleden te verklaren bescheiden vlag, men mag blij zijn met het redactionele besluit tot publicatie van wat er is. We hebben er twee mooie hoofdstukken aan te danken over een inderdaad relatief onderbelichte episode uit het literaire verleden. De eerste bijdrage is een ‘Inleiding’ van de hand van Walter Gobbels, over ‘De socioculturele achtergrond en het geestelijk en artistiek tijdsklimaat’ in de periode 1815 (wanneer Jan Frans Willems zich profileert als voorvechter van de Vlaamse cultuur) tot 1886 (de moderne stellingname van Pol de Mont). De tweede, geschreven door Karel Wauters, behapt ‘Het Vlaamse fictionele proza van Conscience tot Loveling’.

De voorgeschiedenis en onvoltooide status van het project -- er is nog niet openbaar gemaakt wat de verhoopte volgende delen zullen bevatten -- doen begrijpen dat er geen overkoepelende conceptuele reflectie plaats vindt over de keuzes die nu eenmaal ten grondslag liggen aan de constructie die een literatuurgeschiedschrijver opzet: de selectie en verantwoording van aandachtsdomeinen en benaderingswijzen.Volgens welke principes wordt geprivilegieerd, of weggelaten? Toch zijn de beide gedeelten van het werk stellig verbonden, en wel door een gemeenschappelijke visie op de beschreven periode. De geringe artistieke waarde van de negentiende-eeuwse Vlaamse letterkunde, in het ‘Ten geleide’ aangehaald als verantwoordelijk voor een langdurig gebrek aan enthousiasme van onderzoekerszijde, blijkt een rode draad die door beide hoofdstukken loopt. Simpel gezegd: Gobbers wil deze verklaren en Wauters wil haar, althans voor het proza, peilen.

De eerstgenoemde auteur brengt het fors onder woorden: als men de negentiende-eeuwse Vlaamse literatuur plaatst in internationaal perspectief, wordt men getroffen ‘door een dusdanig niveauverschil inzake rijkdom en diepgang van inspiratie, menselijk en ideologisch gehalte en niet het minst artistieke vormkracht, dat we een ogenblik geneigd zijn terug te deinzen voor een confrontatie die voor onze voorouders niet veel minder dan vernietigend dreigt uit te vallen’ (p. 2). Slechts Gezelle en Conscience kunnen zich meten aan buitenlands niveau. Maar niet alleen aan de contemporaine internationale literatuur wordt de ‘onvolwassenheid’, van de Vlaamse letteren getoetst (p. 3), ook de latere bloei vanaf bij benadering de oprichting van Van Nu en Straks geldt als maatstaf. De kijk op de literatuur draagt daardoor een sterk evolutionistisch karakter: haar ontwikkeling wordt beschreven als een emancipatieproces, een moeizame tocht vanuit de duisternis naar het stralende licht van een esthetische volwassenheid, die aanvangt bij het Vlaamse equivalent van de beweging van Tachtig. Dát de literaire ontwikkeling in Vlaanderen, nauw verweven met de politieke, sociale en culturele emancipatie van het Vlaamse volksdeel, als zodanig geïnterpreteerd wordt, is niet zo verwonderlijk: zij dringt zich op als een onderzoeksterrein dat als het ware smeekt om een socioculturele benadering en dat is dan ook de invalshoek die Gobbers kiest. Dat bij deze aandacht voor het toenmalig functioneren van literatuur zo nadrukkelijk de esthetische maatstaven van een later eeuw bij herhaling en zonder relativering in het geding worden gebracht, getuigt vandaag de dag van een zekere wetenschappelijke durf: men moet denkelijk tot Knuvelders bekende handboek teruggaan om een literatuurgeschiedenis te vinden waarin het evaluerend aspect zo sterk op de voorgrond treedt.

Het overzicht van Gobbers is bij mijn weten de eerste omvangrijke en zeer knappe synthese over de literatuur en het literair bedrijf in Vlaanderen gedurende de negentiende eeuw. De hoofdstelling is, dat men te maken had met een onvolgroeid en bovenal gespleten literair systeem, waarin door de institutionele overmacht van de Franstalige cultuur de Vlaamse auteurs zich in de functie van volksopvoeders moesten en wilden richten op een literair ongeschoold publiek: een politiek, sociaal en cultureel bedreigde onderste bevolkingslaag -- ‘en wie lering beoogt, brengt nu eenmaal geen meesterwerken voort’ (p. 98). In het hoofdstuk ‘Middelen en doelstellingen’ gaat Gobbers in op de culturele infrastructuur: de (taal)politiek, het onderwijs, de pers en de boekhandel, bibliotheken en genootschappen. Bij alle onzekerheid omtrent omvang en aard van deVlaamse leescultuur kan vastgesteld worden, dat de culturele suprematie berustte bij een Franstalige en dus Frans lezende bovenlaag en dat de beroemde uitspraak dat Conscience ‘zijn volk leerde lezen’ aan enige relativering toe is. De paragraaf over de Nederlandstalige pers toont bijvoorbeeld dat de rol van de Vlaamse organen in de literaire communicatie zich veelal beperkte tot de publicatie van doorgaans uit het buitenland afkomstige feuilletonromans.

Na deze zeer boeiende en informatierijke verkenning van de socioculturele condities waaronder de Vlaamse literatoren hun overigens vaak zeer hardnekkig en idealistisch emancipatiestreven moesten volbrengen, behandelt Gobbers het literaire klimaat in engere zin. Een openingsparagraaf over de periodiseringsproblemen betreffende (neo)classicisme, romantiek en biedermeier, realisme en modernisme (hier te lezen als symbolisme en decadentie) wordt gevolgd door een systematische verkenning waarin per afgebakend tijdvak eerst de internationale context ruime aandacht krijgt en daarna de respons in Vlaanderen wordt gepeild. Een van de uitkomsten van dit comparatistisch onderzoek is, dat de literatoren en daardoor indirect en op afstand het leespubliek, eigenlijk verrassend goed op de hoogte waren van wat er in het buitenland gaande was. Paradoxaal genoeg was de confrontatie met de Franse literatuur om voor de hand liggende redenen verreweg het indringendst, terwijl de door politieke, zedelijke of esthetische motieven geïnspireerde weerstand tegen juist déze kunstuitingen het grootst was. De Duitse en in mindere mate de Angelsaksiche literatuur konden op meer sympathie en aanbeveling, maar minder weerklank rekenen. Tussen de Nederlandse en de Vlaamse literatuur bestond vóór de eeuwwisseling, aldus Gobbers, weinig wisselwerking -- de nodige persoonlijke contacten daargelaten. In zijn verklaring betrekt hij, naast het feit dat het literaire milieu in Nederland overwegend protestants was, ook de nauwelijks inspirerende, middelmatige uitstraling van onze letterkunde, waarin volgens het hierboven vermelde principe van moderne esthetische gestrengheid slechts Multatuli boven het literaire maaiveld uitstak. Een tweede conclusie betreft de Vlaamse adaptatie van de ingrijpende literaire innovaties die de negentiende eeuw in internationaal perspectief heeft opgeleverd: revolutionaire romantiek, choquerend realisme, zij werden behoudend en gematigd, slechts in mild compromis of bezadigd syncreticisme aangepast aan de opvoedende taakopvatting van waaruit de auteurs zich tot hun cultureel achtergestelde publiek richtten. Het hier geschilderde portret moet de Nederlandse lezer vertrouwd voorkomen: ook de Nederlandse negentiende-eeuwse literatuur, op Multatuli na, reikte, althans volgens de hier gehanteerde artistieke normen, niet tot de buitenlandse toppen; meermalen is mét Gerard Brom geconstateerd dat de Nederlandse romantiek heeft geklapwiekt, maar niet is opgevlogen. De literairhistorische beeldvorming van het negentiende-eeuws panorama vertoont, kortom, analoge trekken in beide landen. En toch gaat de hier aan de specifiek-Vlaamse situatie gerelateerde socioculturele verklaring voor Nederland niet op (de gespleten cultuur die het auteurspotentieel halveerde en de samenstelling van het leespubliek conditioneerde), al delen wellicht beide letterkundes een algemener streven zich in functie te stellen van beschaving en ontwikkeling van de lezende natiegenoot. Gobbers’ overtuigende en mooi geschreven beschouwing laat ons achter met een niet gemakkelijk te beantwoorden vraag.

Het tweede der Hoofdstukken, geschreven door Karel Wauters, geeft een overzicht van het Vlaamse fictioneel-narratieve proza. Drie generaties auteurs komen aan bod: de ‘romantische’ met Hendrik Conscience, Pieter Frans van Kerckhoven, Eugeen Zetternam en de minder bekende Pieter Ecrevisse; vervolgens de ‘eerste realistische generatie’ waarin de aandacht uitgaat naar Domien Sleecks, August en Reinier Snieders, en Johanna Courtmans-Berchmans; tot slot de ‘tweede realistische generatie’met Anton Bergmann, Rosalie en Virginie Loveling, Wazenaar, Isidoor Teirlick en Reimond Stijns. Naast deze ‘hoofdfiguren’ komt in deze per auteur gevolgde generaties nog een aantal ‘secundaire figuren’ aan bod. Zo ontvangt men een portret van enkele tientallen auteurs en een typering van een paar honderd romans of verhalen. Elke roman uit dit omvangrijke corpus krijgt een afzonderlijke behandeling, die varieert van enkele bladzijden tot een paar regels. Aan deze opzet kleven uiteraard nadelen. Weliswaar biedt zij, zoals Wauters zegt, een uitgelezen kans om het oeuvre van een schrijver te karakteriseren in zijn totaliteit -- de verbluffende mobiliteit die Conscience in zijn schrijverscarrière ten toon spreidt is nog nooit zo goed tot me doorgedrongen als nu -- , maar een ordening per genre of subgenre had wellicht een kans op synthese geboden die men nu mist. Historische romans, contemporaine zedenschetsen, dorpstonelen en fantastische verhalen trekken in bonte stoet voorbij en men zou wel eens graag onder het mentoraat van Wauters bij verschijningsvormen en ontwikkeling van deze teksttypen in contemplatie stil willen blijven staan. Onvermijdelijk speelt in deze behoefte de drang tot vergelijking met het Nederlands romanpanorama een rol. Men krijgt de indruk dat de historische roman bijvoorbeeld veel sterker als voertuig voor een actuele politieke of maatschappelijke boodschap is gebruikt; de dorpsnovelle is eerder en opvallender aanwezig en ondanks Wauters’ verzuchting dat het met de fantastiek maar pover is gesteld, frappeert het aantal titels dat kennelijk toch met deze literaire vorm in verband gebracht kan worden.

Deze kanttekening, die eigenlijk een roep is om méér, laat onverlet dat we voor deze vlootschouw dankbaar mogen zijn. Heel veel wetenswaardigheden over voor het merendeel vergeten romans kan men erin vinden. Dat Op ’t Exterlaar van Domien Sleeckx gemodelleerd is naar Hoffmanns Die Serapionsbrüder en ‘wellicht de beste Vlaamse prozapublicatie uit de jaren zestig’ (p. 197); dat het Jan-Klaessenspel van August Snieders Vanity-fair tot voorbeeld had; dat de historische roman Francis Alard werd ingeleid en, zoals Wauters vermoedt, ook ‘stilistisch opgepoetst’ door dominee J.P. Hasebroek, die de auteur, Emmanuel Rosseels, had onderricht bij diens overgang naar de Nederlands-hervormde kerk (p. 190).

De romankarakteristieken zijn buitengewoon beeldend. In kort bestek worden verhaallijn, thematiek, literairhistorische betekenis en genre helder getypeerd in zeer levendige formuleringen. Over hun trefzekerheid kan ik, vrijwel onbelezen in de materie, slechts zelden oordelen, maar men krijgt de indruk hier aan een zeer betrouwbare gids te zijn overgeleverd. Wat bij het ‘plaatsen’ van de romans helpt, zijn Wauters’ herhaalde analogieën met voorbeelden uit de buitenlandse letterkunde, die licht en ongeforceerd, maar altijd verduidelijkend zijn aangebracht. Ook in dit hoofdstuk dringt het evaluerend karakter zich sterk op de voorgrond: de auteur stelt zich mede ten doel aan te wijzen wat nu nog als kunstproduct is te waarderen en wat louter om zijn historische waarde onze belangstelling verdient. Met kwalificaties als ‘drakerig’, ‘onbeholpen’, ‘van laag allooi’ is de beschouwing doorzeefd (de mooiste trof ik aan op p. 223, waar over de ‘literaire zelfdestructie’ van Jan Reinier Snieders wordt gesproken). Hoewel bij tijd en wijle even amusant als nuchter en altijd vanuit de liefde- en gewetensvolle intentie een zo treffend mogelijke karakteristiek te geven, weegt die voortdurend evaluerende toonzetting een beetje zwaar op deze studie. De conclusie is, gegeven de al van meet af aan gepresenteerde visie op de esthetische emancipatie van de Vlaamse literatuur, een tikje vlak en voor de hand liggend: inderdaad blijkt ook tekstintern binnen het proza een ontwikkeling aan te wijzen die loopt van didactisch-opvoedende intentie tot een individueler en artistiek geïnspireerde expressie of een openhartiger kijk op de werkelijkheid.

Al met al presenteert de Gentse Koninklijke Academie hier een zeer interessante studie, waarin zeer veel relatief onbekende informatie coherent en vooral inspirerend bij elkaar wordt gezet.

De omslagafbeelding tenslotte is intrigerend. Zij toont een buste van J.M. Dautzenberg, een auteur die in het onderhavige werk slechts tweemaal, en dan terloops, wordt genoemd en wiens literaire activiteiten bij mijn weten vooral op het terrein van de poëzie liggen. Wanneer deze keuze inhoudt dat niet speciaal voor dit deel, maar voor de gehele reeks het visuele embleem reeds vaststaat, dan houdt dit een mooie belofte voor de toekomst in.


| MNL Homepage | TNTL |