TNTL 117/4
Bart Besamusca
Als je het doorhebt: humor in de Oudengelse en Middelnederlandse literatuur
Humour in Anglo-Saxon Literature / edited by Jonathan Wilcox. - Cambridge: Brewer, 2000. - 162 p.
ISBN 0-85991-576-X Prijs: £40
De Oudengelse literatuur bestaat uit teksten waarin Germaanse vechtjassen en christelijke heiligen ronddolen in een grimmige en bloederige wereld. Als we op Jonathan Wilcox en zijn medeauteurs mogen afgaan, moet dit sombere beeld dat gewoonlijk van de Oudengelse letterkunde geschetst wordt, bijgesteld worden. In een aantrekkelijke bundel studies betogen zij met kracht van argumenten dat die literatuur wel degelijk ook humoristisch is. Zo levert deze groep anglisten een geslaagde bijdrage aan de internationale studie van de humor, die sterk multidisciplinair van karakter is. Naast literatuurhistorici houden historici, linguïsten, filosofen, sociologen, psychologen en antropologen zich met het fenomeen humor bezig. Deze inbreng van diverse zijden maakt het vrijwel ondoenlijk het terrein van de humorstudies volledig te overzien. (Daar doet het bestaan van tijdschriften als Humor: International Journal of Humor Research en Humoresques niets aan af.) Wie zich snel wil oriënteren, heeft baat bij de overzichtelijke ‘Forschungsbibliographie’ die Johan Verberckmoes enkele jaren geleden samengesteld heeft voor de bundel Kulturgeschichte des Humors (p. 184-195).1
Het onderzoek naar humor kampt met fundamentele problemen. Zo spelen allerlei methodologische kwesties een belemmerende rol. Het is bijvoorbeeld moeilijk om onbetwistbare data te verzamelen bij een zo ongrijpbaar fenomeen als humor. Wat het verschijnsel precies inhoudt, staat zelfs niet vast. Het is kenmerkend voor het onderzoek dat een algemeen aanvaarde definitie van humor niet bestaat. Volgens de antropoloog Mahadev Apte zijn bij de werking van humor drie elementen betrokken: 1) bronnen (situaties, handelingen e.d.) die als stimuli kunnen functioneren; 2) de mentale activiteit van een individu, die een bron evalueert, hetgeen tot ervaring van humor leidt; 3) de reactie in de vorm van (glim)lachen. Deze drie elementen zijn in het onderzoek zowel ieder afzonderlijk als in samenhang met elkaar als humor(istisch) bestempeld.2 Illustratief voor het definitieprobleem is de omschrijving die in de bundel Kulturgeschichte des Humors van het verschijnsel gegeven wordt: ‘Wir sehen Humor als jede durch eine Handlung, durch Sprechen, durch Schreiben, durch Bilder oder durch Musik übertragene Botschaft, die darauf abzielt, ein Lächeln oder ein Lachen hervorzurufen’ (p. 9). In deze formulering blijft het tweede element dat Apte noemt en zelfs als cruciaal beschouwt, onderbelicht. De nadruk op de werking van stimuli (element 1) en de reactie (element 3) levert echter wel een omschrijving op die werkbaar is: zij staat cultuurhistorici toe zich als vraag te stellen: ‘Wer überträgt welchen Humor in welcher Weise an wen, wo und wann?’ (p. 9).
Een opvatting die in humorstudies thans algemeen aanvaard lijkt, houdt in dat humor niet als geïsoleerd verschijnsel bestudeerd kan worden. De werking ervan is ten nauwste verbonden met sociale en culturele factoren. Uitingen die onder bepaalde omstandigheden grappig zijn, wekken op andere momenten door hun ongepastheid woede op. Handelingen die door de ene bevolkingsgroep als humoristisch ervaren worden, zijn in de ogen van een andere groepering stuitend. Dit maakt humor als verschijnsel moeilijk traceerbaar en interpreteerbaar. Zoals Wilcox in zijn inleiding schrijft: ‘Even within the contemporary world, where humorist and audience share cultural assumptions, humor is often missed or misunderstood or otherwise problematic’ (p. 10).
Als de werking van humor zo cultureel bepaald is, is bij de bestudering van middeleeuwse literatuur het risico van vertekening levensgroot aanwezig. Moderne onderzoekers missen nu eenmaal de ogen van toen, waardoor zij alle kans lopen ten onrechte situaties, handelingen en uitingen als humoristisch te interpreteren en humoristisch bedoelde momenten over het hoofd te zien. Uit de aard der zaak is dit probleem onoplosbaar. Maar sommige benaderingen bieden toch wel enig perspectief. Zo kan men proberen zich een theoretische basis te verschaffen door de historische opvattingen over humor in kaart te brengen. Dat is bijvoorbeeld gedaan door Joachim Suchomski in een poging om de komische literatuur in de Middeleeuwen beter te begrijpen.3 Het is een verdienste van de bundel van Wilcox dat op een andere route gewezen wordt, ook al is die slechts beperkt en behoedzaam begaanbaar.
In een van de twee artikelen over de Beowulf, van de hand van E.L. Risden, wordt gedemonstreerd hoe de dichter humor teweeg brengt door conversatieregels te doorbreken. Als een spreker zich niet conformeert aan verwachtingen over kwantiteit (uitspraken moeten de juiste dosis informatie bevatten), kwaliteit (uitspraken moeten oprecht of waar zijn), relatie tot het onderwerp (uitspraken moeten ter zake zijn) en vorm (uitspraken moeten duidelijk, weloverwogen en kort zijn), ontstaan mogelijkheden voor ironie, dubbelzinnig taalgebruik en understatements. In het andere artikel over de Beowulf probeert de auteur, Raymond P. Tripp, Jr., verder te springen dan zijn polsstok lang is. Hij beweert dat de dichter door middel van woordspel twee sterk van elkaar afwijkende interpretaties van de tekst aan wilde bieden. Terwijl het heldendicht vanuit heidens perspectief een serieus verhaal is, zou het vanuit christelijk gezichtspunt de beschrijving van een drankgelag zijn. Deze nieuwe interpretatie van de Beowulf maakt een geforceerde indruk.
In The Battle of Maldon lacht de Engelse aanvoerder Byrhtnoth luid nadat hij een van de binnenvallende Vikingen gedood heeft en op het punt staat zelf geveld te worden. Deze beroemdste lach uit de Oudengelse literatuur is volgens John D. Niles niet uitsluitend het gevolg van een humoristische situatie. Byrhtnoths lach is hecht verbonden met minachting en overmoed. De held voelt zich superieur: hij lacht om duidelijk te maken dat hij zijn tegenstander veracht. Maar voor het publiek van The Battle of Maldon is zijn lachen ook een teken van hoogmoed, want zijn ondergang, die hij zelf in gang gezet heeft door in zijn arrogantie een strategische fout te maken, nadert.
In twee artikelen worden de raadsels in de tiende-eeuwse Exeter codex onder de loep genomen. Beide auteurs, D.K. Smith en Nina Rulon-Miller, concentreren zich op de seksueel georiënteerde opgaven in het handschrift, dat naar alle waarschijnlijkheid in een monastiek milieu gefunctioneerd heeft. De seksraadsels zijn dubbelzinnig: er zijn telkens twee antwoorden mogelijk. Zo draagt een man onder zijn kleding een hard ding dat van voren een gaatje heeft en verlangt naar een gat dat hij al eerder gevuld heeft: een penis of een sleutel. En is een Welshe slavin druk in de weer met iets dat in leven graast en na zijn dood de mens dient: zij prepareert een fles van rundleer of masturbeert ermee. De theorie van Freud biedt de beste verklaring voor de veronderstelde humoristische werking van deze seksraadsels. De spanning die het taboe op seks in het kloosterlijke milieu veroorzaakt, vindt een uitweg in de raadsels waarin seks impliciet het onderwerp is.
In twee bijdragen aan de bundel wordt aangetoond dat ook geestelijke teksten humoristische passages bevatten. Shari Horner en Hugh Magennis laten zien dat heiligen, die vaak verbaal sterk zijn, humor gebruiken om christelijke denkbeelden te promoten. Zo maken zij hun kwelgeesten belachelijk terwijl zij gemarteld worden. Ook situationele humor wordt door de auteurs van religieuze teksten aangewend. Een bekend voorbeeld is het verhaal over drie christelijke maagden die verkracht dreigen te worden. God verhoort hun gebeden en brengt hun belager dusdanig in de war dat hij zich vergrijpt aan smerige potten en pannen. Als hij geheel besmeurd weer te voorschijn komt, zien zijn metgezellen hem aan voor een monster en slaan zij op de vlucht.
Deze voorbeelden uit geestelijke teksten illustreren de algemene karakteristieken die T.A. Shippey in zijn artikel van Oudengelse humor geeft. De komische werking berust vaak op handelingen van wijze mensen (zoals heiligen), die zich vermaken ten koste van dwazen (zoals heidenen), die de strekking van bepaalde uitspraken niet begrijpen en een onvolkomen kijk op het bestaan hebben. Al evenzeer kenmerkend is dat de Oudengelse humor in veel gevallen een grimmige reactie op pijn en verdriet is.
Uit Humour in Anglo-Saxon Literature blijkt dat moderne theorieën over humor niet volslagen nutteloos zijn voor de studie van historische letterkunde. Zolang een onderzoeker zich voortdurend bewust blijft van het feit dat zijn benadering een historisch, sociaal-cultureel referentiepunt ontbeert, leveren hedendaagse noties over humor bruikbare observaties op voor het begrijpen van het verschijnsel in de middeleeuwse literatuur. Zo maakt een aantal auteurs in de bundel van Wilcox op overtuigende wijze gebruik van de theoretische opvatting dat incongruentie voor de werking van humor noodzakelijk is. Een plotseling of gelijktijdig begrip van twee onverenigbare realiteiten zou aan de basis liggen van vrijwel elke humorervaring.4 Deze notie van incongruentie brengt uiteraard ook problemen met zich mee bij de bestudering van middeleeuwse literatuur. Om incongruentie vast te kunnen stellen dient men immers te beschikken over de competentie om congruentie vast te stellen. En het is nog maar de vraag in hoeverre moderne onderzoekers over dat vermogen beschikken of het kunnen ontwikkelen. Niettemin lijkt het mij uitdagend om in navolging van de anglisten vanuit de gedachte dat incongruentie een centraal humorelement is te kijken naar de Middelnederlandse literatuur.
Toen Frits van Oostrom in 1988 tijdens een symposium in Antwerpen de vooruitgang in de bestudering van de Middelnederlandse letterkunde besprak, zei hij op een gegeven moment: ‘Waar zijn of blijven toch bij ons de boeken, of soms zelfs maar de artikelen, over, bijvoorbeeld, de vele vormen [...] van humor, parodie en ironie in al die zo gevarieerde Middelnederlandse teksten, studies die de aansluiting op belangwekkend buitenlands onderzoek op dit terrein zouden bewerkstelligen?’5 Meer dan tien later is een herhaling van zijn verzuchting op haar plaats, nog altijd wordt humor in de Middelnederlandse literatuur weinig bestudeerd. De laatste jaren bestaat de schrale oogst naast wat kleingoed uit de dissertatie van Fred Lodder over Middelnederlandse komische versvertellingen, een artikel van Raymond Harper over ironie in de Seghelijn van Jerusalem en een bijdrage van Veerle Uyttersprot in Medioneerlandistiek over ironie in Arturromans.6 De enige onderzoeker die humor vrijwel consequent centraal stelt, is Herman Pleij. Hij is sinds lang een lovenswaardige uitzondering, wiens werk imposante studies als De sneeuwpoppen van 1511 en Dromen van Cocagne opgeleverd heeft.7 Hoewel Pleij nogal eens de neiging heeft zonder nadere argumentatie vast te stellen dat een handeling, situatie of uiting grappig (bedoeld) is -- en zo de indruk wekt op zijn eigen, hedendaagse kompas te varen -- is hij zich er terdege van bewust dat humor een cultuurgebonden fenomeen is. Illustratief voor zijn opvatting is een opmerking als de volgende, afkomstig uit Dromen van Cocagne: ‘Het middeleeuwse gevoel voor humor staat misschien wel het verst weg van alle nog herkenbare gedragsvormen. Zwaar letsel en onbeheerste lichamelijke functies beneden de gordel gaan door voor toppunten van humor, die wij zwijgend en vol onbegrip ondergaan.’8
De talloze voorbeelden die Pleij van humor in de laat-middeleeuwse literatuur gegeven heeft, kunnen bij nadere beschouwing vrijwel altijd geïnterpreteerd worden als uitvloeisels van incongruentie. Dat is bemoedigend: het bevestigt de boodschap van Humour in Anglo-Saxon Literature dat de notie voor literair-historisch onderzoek bruikbaar is. In vervolgonderzoek zou eens moeten worden nagegaan hoe het met incongruentie in dertiende- en veertiende-eeuwse Middelnederlandse romans gesteld is. In de studie van de Middelnederlandse literatuur vat men deze werken veelal tamelijk ernstig op. Zo is in het verleden betoogd dat Lantsloot vander Haghedochte als een spiegel van hoofsheid bedoeld was en dat de dichters van de Walewein zich wilden afzetten tegen de prozacyclus Lancelot-Graal als religieuze ridderroman.9 Hoe aannemelijk deze interpretaties wellicht ook zijn, men dient niet uit het oog verliezen dat de romans tevens als vermaak dienden. Er moest (samen met of ten koste van de personages) ook gelachen kunnen worden. Mijn stellige indruk is dat deze functie van de Middelnederlandse romans in het onderzoek verwaarloosd wordt.
Ter illustratie van deze invalshoek kan een passage uit de Walewein dienen. Na de openingsscène, waarin een magisch schaakspel zwevend Arturs hofzaal binnenkomt, trekt Walewein erop uit om het kostbare object voor de koning te veroveren. Als hij het kasteel verlaten heeft, roept de hofmaarschalk Keye hem na:
Here Walewein, maerct ende verstaet:
Haddi ghenomen enen draet
Ende hadde den ant scaec ghestrect,
So mochtijt nu hebben ghetrect
Dat u niet ne ware ontvaren.10
De hofmaarschalk treedt hier op in zijn gebruikelijke rol van spotter. Hij suggereert dat Walewein zich veel moeite had kunnen besparen als hij zo verstandig geweest was om een draad aan het schaakspel vast te maken, want dan had het voorwerp geen kans gehad om te ontkomen; Walewein zou het eenvoudigweg naar zich toe hebben kunnen trekken. De andere personages zijn duidelijk niet gecharmeerd van Keyes woorden. Walewein verwijt hem zijn ‘quaden scerne’, zijn hatelijke spot (vs. 181) en koning Artur en zijn metgezellen vragen hem zijn mond te houden (vs. 193-194). Dat zij Keyes spot humoristisch opvatten, kan uitgesloten worden. Maar geldt dat ook voor het geïntendeerde publiek van de Walewein? Wilde Penninc, de auteur van deze verzen, de luisteraars naar zijn verhaal aan het lachen brengen? Die mogelijkheid lijkt heel reëel, omdat hij gebruik maakt van incongruentie. Wat Keye voorstelt, is volstrekt ongerijmd. Terwijl de verwachting gewettigd is dat de held zich enorm zal moeten inspannen om het magische schaakspel in handen te krijgen, suggereert de hofmaarschalk dat het doel moeiteloos en op hoogst banale wijze, met een draadje, bereikt kan worden. Het gaat hier om twee onverenigbare realiteiten, die Penninc hoogstwaarschijnlijk samengebracht heeft om het publiek van de Walewein te laten lachen.
Zou deze passage in de Walewein de uitzondering zijn die de regel (men dient de gebeurtenissen in de roman ernstig te nemen) bevestigt? Er zijn aanwijzingen dat dit niet het geval is. Verderop in het verhaal tracht Walewein de onneembare burcht van Assentijn (om het kasteel staan twaalf muren, waartussen rivieren lopen en iedere poort wordt bewaakt door tachtig ridders) binnen te komen. Wat er dan gebeurt, is door Roel Zemel beschreven. De wijze waarop Walewein binnendringt ‘heeft iets van slapstick. Ruim duizend verzen lang geeft de verteller een beschrijving van gevechtshandelingen die een lachwekkend beeld geven van de ridders die de burcht tegen Walewein moeten verdedigen. Zo gebeurt het dat de talrijke verdedigers op de vlucht slaan voor de eenling; ze raken de kluts kwijt en hakken op elkaar in. Het resultaat van Waleweins invasie is een heel leger invaliden en karrevrachten lijken.’11
Ook voor deze episode waarin Waleweins aanval op Assentijns burcht beschreven wordt, is incongruentie een bruikbare notie. De dichter vermengt de ernst van de gebeurtenis met handelingen die in deze context misplaatst lijken. Dankzij het machtige Zwaard met de Twee Ringen slaagt Walewein er in zijn eentje in de talrijke verdedigers te verslaan. Terwijl zij in paniek vluchten, rust de held een poosje en volgt hen daarna ‘Al scoenkine bi liever lade’ (vs. 6329), op zijn gemak. Als het nacht wordt, herkennen de verdedigers elkaar niet meer en uit pure angst voor hun onzichtbare kwelgeest doden zij elkaar terwijl zij zich terugtrekken. Walewein volgt de troep op veilige afstand. De volgende ochtend trekt een grote troepenmacht erop uit in de veronderstelling op een omvangrijk vijandelijk leger te stuiten; hun enige tegenstander voltooit intussen bedaard zijn ontbijt, inclusief ‘wijns ghenouch Om dat hi te blider wilde wesen’ (vs. 6895-6896), loopt naar de poort en sluit zijn tegenstanders eenvoudigweg buiten. Er is alle reden om te denken dat deze overdaad aan onverenigbare elementen bedoeld was om bij de toehoorders van de Walewein een lach op te wekken ten koste van de verdedigers van Assentijns burcht.
Naar ik hoop, zal Humour in Anglo-Saxon Literature de medioneerlandistiek inspireren om het onderzoek naar humor in de Middelnederlandse romans krachtig ter hand te nemen. Ik durf te voorspellen dat zal blijken dat wij in het verleden te weinig oog hebben gehad voor de komische passages in deze werken. Om de woorden van de bekende voetbalfilosoof Johan Cruijff te citeren: ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt.’
Noten
1 Jan Bremmer und Herman Roodenburg (Hrsg.): Kulturgeschichte des Humors: Von der Antike bis heute. Aus dem Englischen übersetzt von Kai Brodersen. Darmstadt, 1999.| MNL Homepage | TNTL |