TNTL 117/4

Frank Brandsma

Het handschrift-Van Hulthem : hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, 15.589-623 / diplomatische ed. bezorgd door Herman Brinkman en Janny Schenkel. - Hilversum : Verloren,

1999. - 2 dl. ; 25 cm. - (Middeleeuwse verzamelhandschriften uit de Nederlanden ; 7)

ISBN 90-6550-060-X Prijs: f 137,-

Repertorium van teksten in het handschrift-Van Hulthem (hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek van Belgie, 15.589-15.623) : CD-ROM met een inleiding / [samengest.] door M.E.M. Jungman ; in samenw. met J.B. Voorbij. - Hilversum : Verloren, 1999. - 96 p. : ill. ; 1818 cm + CD-ROM

ISBN 90-6550-084-7 geb, ISBN 90-6550-061-8 (CD-ROM) Prijs: f 90,--

Codices Miscellanorum : Brussels Van Hulthem Colloquium 1999 / R. Jansen-Sieben & H. van Dijk (Eds.) - Brussels/Bruxelles : Archives et bibliothèques de Belgique, 1999. - 94 p. ; 22 cm (Archief- en Bibliotheekwezen in België ; no. 60)

ISSN 0775-0722 Prijs niet opgegeven

Het jaar 1999 zal de geschiedenis van de medioneerlandistiek ingaan als het Hulthem-jaar. Behalve de verschijning van de drie hier te bespreken publicaties verscheen een facsimile van het hele handschrift en was er een grote tentoonstelling in de Brusselse Koninklijke Bibliotheek, waarvan delen ook naar Amsterdam en Münster zijn gegaan. Conservator Jos Biemans maakte er in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam een kleine, maar fraaie tentoonstelling van, gericht op het toneel in het handschrift-Van Hulthem.

De opening van de tentoonstelling in Brussel ging gepaard met een colloquium, waarop internationale grootheden (Geneviève Hasenohr van de Bibliothèque Nationale, Tony Hunt uit Oxford, Peter Gumbert) zich bogen over het verschijnsel verzamelhandschrift vanuit hun eigen taal en specialisme. De lezingen zijn gepubliceerd in Codices miscellanearum, voorafgegaan door een inleiding -- in twee talen -- door de redacteurs, Hans van Dijk en Ria Jansen-Sieben.

Net als cyclusvorming is het produceren van verzamelhandschriften een internationaal verschijnsel in de Middeleeuwen. Het is daarom boeiend om bij conservatrice/romaniste Hasenohr en bij germaniste Sarah Westphal te lezen hoe men met dergelijke verzamelingen in het Frans en Duits omgaat, terwijl Tony Hunt uitlegt dat er op zijn terrein juist veel handschriften zijn die teksten uit drie talen (Latijn, Frans en Engels) combineren. De eenheden (teksten denkt de literatuurhistoricus, katernen zegt de codicoloog) waaruit een verzamelhandschrift is opgebouwd, de mate van uniformering in de uitvoering, eventuele fasen in het productieproces, lengte en aard van de samenstellende delen: er zijn volop interessante aspecten te vinden, waarover men via internationale gedachteuitwisseling veel wijzer kan worden. Zeer verhelderend (en ook wat ontnuchterend) in dit verband is het begin van de bijdrage van de Leidse codicoloog Peter Gumbert (‘One Book with Many Texts: The Latin Tradition’, p. 27-36), die laat zien dat er voor de verschillende typen verzamelhandschriften een reeks van elkaar niet geheel dekkende termen in omloop is. Een internationaal geaccepteerde, eenduidige typologie zou het onderzoek zeer bevorderen. Dat geldt ook al voor de wijze waarop men ‘verzamelhandschrift’ in het Engels aanduidt. Hunt gebruikt ‘compilation’, maar geeft geen definitie en somt vooral op wat er zoal is. Van Dijk en Jansen-Sieben gebruiken ‘collective manuscript’ en Gumbert spreekt van ‘multitext book’. Ik was wel gecharmeerd van de term die Wim van Anrooij in zijn stuk over de Middelnederlandse verzamelhandschriften hanteert: ‘miscellany’. Een blik in het woordenboek leert echter dat die term vooral de connotatie ‘verschillend’ heeft (in de Collins Cobuild Dictionary: ‘a collection or group of things that are very different from each other’, p. 922) en vertaald wordt als ‘mengeling’ en ‘mengelwerk’ (in Van Dale Groot Woordenboek Engels-Nederlands, p. 811).

De meest zwaarwegende bijdrage aan de Hulthemiana van 1999 komt op naam van Herman Brinkman en Janny Schenkel. Het Comburg-team van de MVN-reeks bleek ook tegen Hulthem opgewassen en heeft in een rap tempo weer twee kloeke delen op tafel gelegd, voorzien van een prima inleiding, die volgens het voor de reeks gebruikelijke stramien het handschrift uit de doeken doet. Het doet niets af aan het nijvere werk van de editeurs dat er eigenlijk niet zoveel over de editie op te merken is, dat komt veeleer voort uit het karakter van de reeks, waarvan dit nu alweer de delen VII, 1 en 2 zijn.

De boeken zien er weer patent uit, alleen waren de leeslinten in mijn exemplaar te kort om ook aan onderkant uit het boek te steken. Van de vertrouwde onderdelen van de Inleiding vind ik de stukken over de categorieën teksten (p. 11-16), over de geschiedenis van het onderzoek (p. 16-32: met aandacht voor de rol van afschriften bij de vroege publicaties en voor de verschillende ideeën over de functie van het handschrift, zoals de scriptorium-hypothese) en over het tekstverlies door censuur in de zestiende eeuw (p. 67-73) het interessantst. De watermerken zijn uitgebreid onderzocht, hetgeen mogelijk was omdat het hele handschrift uit elkaar ligt (men weet nog niet of men het weer in elkaar zal zetten), en dat leverde ook wat nieuwe gegevens op, evenals fraaie afbeeldingen achter in deel II.

In het verlengde van deze Inleiding is er inmiddels al weer nieuws. In het ‘Besluit’ op p. 76-77 verwijst men naar Brinkman 2000 voor ‘een nieuwe hypothese omtrent de herkomst van de tekstverzameling, het handschrift zelf en de relatie van het handschrift tot een veronderstelde legger’. Dit artikel is verschenen (‘Het wonder van Molenbeek. De herkomst van de tekstverzameling in het handschrift-Van Hulthem’, Nederlandse letterkunde 5 (2000), p. 21-46). Zijn bewonderenswaardige beheersing van het tekstuele en contextuele materiaal etalerend, komt Herman Brinkman tot de ‘hypothese dat de compilatie (de tekstverzameling, FB) moet zijn ontstaan nabij Sint-Jans-Molenbeek, mogelijk in de omgeving van Willem van Heetvelde. Voor het handschrift-Van Hulthem zelf is het veel moeilijker om een uitspraak te doen, maar gezien het relatief korte tijdsverloop tussen de completering van de verzameling en de vervaardiging van het handschrift dat wij hebben, kan wellicht aan een gerelateerd milieu worden gedacht’ (p. 37). Sleutel voor deze nieuwe hypothese zijn twee wonderverhalen in het handschrift-Van Hulthem: ‘Ene mierakele van mijn here Sente Jan Baptista van Molenbeke te Brusele’ en ‘Noch ene mierakele die ghesciede dachs daer na’ (teksten 191.1 en 2, editie deel II, p. 976-978). Dat deze teksten in de nieuwe uitgave voor het eerst weer beschikbaar zijn gekomen sinds J. Vanderstichele ze publiceerde in de Rumbeeksche avondstonden van 1856, is een voldoende bewijs van zowel de noodzaak als de waarde van deze volledige Hulthem-editie. Brinkmans artikel laat prachtig zien dat de editie een nieuwe start -- en zeker geen sluitsteen -- voor het Hulthem-onderzoek is.

De gegevens over Vanderstichele worden natuurlijk vermeld in Brinkmans artikel en in de inleiding bij de editie (p. 20, noot 57), maar ik heb ze gecontroleerd via het Hulthem Repertorium op CD-Rom van Greet Jungman en Hans Voorbij. Bij de tekstnummers 191a en 191b vermeldt het Repertorium de edities van Vanderstichele 1956 en Brinkman/Schenkel 1999. Bovendien wordt duidelijk dat de enige publicatie over deze teksten op naam staat van Wim van Anrooij (in zijn hoofdstuk in Nederlandse literatuur, een geschiedenis, p. 86-91). Het repertorium en de editie vullen elkaar aan, hier en daar (alleen al het feit dat de nummering van de teksten in beide publicaties gelijk is) blijkt dat er vruchtbaar is samengewerkt.

De database op de CD-Rom is het product van jarenlange arbeid, met name bibliografisch, waarvan de resultaten nu op zeer handzame wijze toegankelijk gemaakt zijn via een keurig, eenvoudig en overzichtelijk programma, dat nadrukkelijk op onderzoek gericht is. Er is, door Hans Voorbij die de database ontwierp, prima gebruik gemaakt van de venstertechnologie. Op mijn computer (Pentium II, 350) werkt alles uitstekend en ziet het er sober, maar keurig uit. De gebruiker komt direct binnen op een zoekscherm en kan op tabbladen categorieën kiezen (inhoud, tekst, bibliografie en auteurs). In een venstertje rechts verschijnen de sleutelwoorden van de gekozen categorie (alfabetisch, getallen op computervolgorde: 1-10-100-101 t/m 109-11) en daarboven een blanco regel waarop een zoekterm kan worden ingevuld. De gekozen term verschijnt vervolgens onderin het scherm in de zoekopdracht. Nu kan direct het resultaat van deze zoekactie worden opgevraagd, maar de zoekterm kan ook met andere worden gecombineerd, die vervolgens in de zoekopdracht met <en>, <of> en <zonder> aan de eerdere term kunnen worden gekoppeld. Via knoppen ‘Toevoegen’ en ‘Verwijderen’ kan de inhoud van de zoekopdracht worden bepaald. Een muisklik op het vakje ‘Resultaat’ levert in eerste instantie slechts een korte aanduiding van de gevonden tekst(en) op: per tekst ziet men alleen het nummer in het handschrift, de folium-aanduiding, het opschrift en het incipit. Per tekst kan men echter via de knop ‘Beschrijving tekst’ door naar veel uitgebreidere informatie.

Hier blijkt de rijkdom van dit repertorium: behalve een korte beschrijving van de inhoud wordt ook verwezen naar de edities van en publicaties over de betrokken tekst. Dit beschrijvende venster schuift onder het eerste venstertje met de basisgegevens door, zodat die steeds in beeld blijven en de onderzoeker precies weet met welke tekst hij bezig is. De titelbeschrijving van een aangeklikte publicatie verschijnt rechts in weer een apart venstertje. Het is mogelijk deze titelbeschrijving te printen of op disk op te slaan. Dit laatste is wat primitief, want het kan alleen in txt format, zonder cursiveringen, louter kale tekst. De hoeveelheid artikelen en studies in de bibliografie is enorm en getuigt van grote speurzin. De prima zoekmogelijkheden van de database maken het mogelijk vast te stellen dat de bibliografie op 1997 is afgesloten: er zijn geen publicaties of edities uit 1998 opgenomen en 1999 wordt alleen vertegenwoordigd door de hierboven besproken MVN-delen van Brinkman en Schenkel, die natuurlijk niet mochten ontbreken. Hoe het precies zit met die bibliografie (1300 titels, afgesloten op 1 augustus 1997) wordt uitgelegd in het begeleidende boekje (p. 69).

Het boekje biedt een heldere handleiding voor het gebruik van de database (hoofdstuk 5) en een viertal inleidende hoofdstukjes, waarin kort het handschrift (1), het repertorium (2), de codicologische beschrijving van het handschrift (3) en een eerste analyse van de verzamelde gegevens in het repertorium (4) aan bod komen. Het vierde hoofdstukje is hiervan het interessantst -- de overige drie bevatten basisinformatie die vaak net zo goed of beter uit de MVN-delen te halen is. Jungman bespreekt maar liefst 15 aspecten (zoals ‘Teksteenheden’, ‘Afrondingsformules’, ‘Vertelperspectief’, ‘Auteurs’ en ‘Functie en publiek’) steeds heel summier en geeft vooral de resultaten van telwerk, die soms nieuwsgierig stemmen en vaak om een ruimere motivering en onderbouwing vragen dan in het bestek van dit boekje mogelijk zal zijn geweest. De bespreking levert vooral desiderata op, die wellicht met behulp van het repertorium en de MVN-delen kunnen worden vervuld. Het boekje bevat ook elf foto’s van bladen uit het handschrift-Van Hulthem, die tevens op de CD-Rom zijn afgebeeld. De kwaliteit van de digitale afbeeldingen is bedroevend, ook wanneer men gebruik maakt van de uitvergrootmogelijkheid (zie p. 95). Met de kleine afbeeldingen in het boekje is de lezer nog beter af.

Al met al heeft het Hulthem-onderzoek in 1999 een grote stap voorwaarts gemaakt: de deur naar de internationale discussie over het verschijnsel verzamelhandschrift is open gezet, er is een facsimile, een bruikbare diplomatische editie van het geheel met een zeer adequate inleiding en ook nog eens een handig werkinstrument om het geheel te ontsluiten in de vorm van het digitale repertorium. Het is natuurlijk achteraf praten, maar als editie en repertorium nu eens samen op één CD-Rom hadden kunnen staan...


| MNL Homepage | TNTL |