TNTL 117/4
Ton Brouwers
Onveranderlijk veranderlijk : Harry Mulisch tussen literatuur, journalistiek, wetenschap en politiek in de jaren zestig en zeventig / Joseph Adrianus Willem Buurlage. - Amsterdam : De Bezige Bij, 1999. - 293 p. ; 20 cm Proefschrift Universiteit Utrecht.
ISBN 90-234-3814-0 Prijs: f 45,--
De studie van Jos Buurlage gaat over de ‘documentaires’ die Harry Mulisch tussen 1961 en 1976 heeft gepubliceerd. Daarmee doelt de onderzoeker op een dozijn titels, met als bekendste Voer voor psychologen (1961), De zaak 40/61 (1962), Bericht aan de rattenkoning (1966), Het woord bij de daad (1968), De toekomst van gisteren (1972) en Het seksuele bolwerk (1973). Wat deze boeken volgens hem met elkaar delen, is dat zij veelal een mengeling van studie, autobiografie, polemiek, fictie en/of journalistiek zijn. Buurlage bestempelt deze werken dan ook met een zeker voorbehoud als ‘documentaire’ (uitgedrukt door de term consequent tussen aanhalingstekens te plaatsen), omdat Mulisch zijn onderwerpen niet behandelt vanuit een conventioneel journalistiek perspectief, gekenmerkt door het streven naar optimale helderheid en objectieve duiding, maar vanuit een subjectief en soms bewust vertekenend literair perspectief.
Met zijn onderzoek vestigt Buurlage de aandacht op een belangrijke wending in de carrière van Mulisch. Bekend geworden als auteur van verhalen en romans als Het zwarte licht (1956) en Het stenen bruidsbed (1959), stopte hij aan het begin van de jaren zestig nagenoeg met het schrijven van fictie, om pas zo’n vijftien jaar later die bezigheid weer op te pakken en met romans als De aanslag (1982), Hoogste tijd (1985) en De ontdekking van de hemel (1992) opnieuw successen te behalen. Het is opmerkelijk dat een gerespecteerd schrijver van romans en verhalen ervoor kiest om zich in de bloei van zijn carrière vrijwel volledig aan genres te wijden die niet direct als literair te boek staan en die commercieel gezien evenmin een duidelijke status genieten.
Hoewel men het opvallende karakter van Mulisch’ schrijverschap in de jaren zestig en zeventig wel relateert aan diens uitspraak ‘Het is nu geen tijd om romans te schrijven, het is oorlog’, motiveert Buurlage zijn onderzoek in de eerste plaats door te verwijzen naar het feit dat de ‘documentaires’ door andere onderzoekers ‘stiefmoederlijk’ zijn behandeld. Hij noemt in dit verband vooral het proefschrift van Frans de Rover, De weg van het lachen (1987), gewijd aan de romans en verhalen, en betoogt dat zijn eigen studie als een aanvulling hierop kan worden gezien. Buurlage wil beargumenteren dat de hybridische ‘documentaires’ een integraal onderdeel vormen van het werk van Mulisch en dat aan al zijn teksten ‘één patroon ten grondslag ligt’: het zijn stuk voor stuk labyrinten, waarin de lezer onherroepelijk gedesoriënteerd raakt. Ook wil hij aantonen hoe boeiend het is om dit werk in zijn ‘politieke en culturele context’ te plaatsen; meer specifiek gezien wil hij duidelijk maken ‘dat de toenadering van Mulisch tot de actualiteit in de "jaren zestig" past binnen de culturele context van die periode’.
De studie telt met inbegrip van de inleiding zes hoofdstukken. In de twee centrale hoofdstukken, het derde en het vierde, gaat Buurlage nader in op diverse thematische en formele aspecten van zijn corpus. Deze beschouwingen worden in het tweede hoofdstuk voorafgegaan door een bespreking van Mulisch’ filosofische preoccupaties. Buurlage destilleert hieruit met name diens visie op de mens als een wezen dat voortdurend gericht moet zijn op verandering: we dienen het verleden te verwerken, onszelf in het heden te ontplooien en die ‘constante metamorfose’ in de toekomst te bestendigen. Deze temporele driedeling gebruikt Buurlage vervolgens om zijn inhoudelijke analyse van structuur te voorzien. Zo is De zaak 40/61, een verslag van het Eichmannproces, vooral gewijd aan het verleden en heeft Bericht aan de rattenkoning, het ooggetuigenverslag over de opkomst van de protestgeneratie in het Amsterdam van 1966, direct betrekking op het heden. In zijn formele analyse hanteert Buurlage Mulisch’ neiging tot rollenspel en diens voorkeur voor destabiliserende technieken en labyrintische tekststructuren als uitgangspunt. De auteur van de ‘documentaires’ is niet alleen journalist en onderzoeker, maar ook acteur, picaro, illusionist en evangelist -- het is iemand die voor zijn lezer steeds nieuwe drempels opwerpt en die voortdurend van rol verwisselt om aldus zijn ongrijpbaarheid te behouden. Mulisch wordt bovendien ontmaskerd als een intertekstuele goochelaar, die in Bericht aan de rattenkoning refereert aan Max Havelaar en voor Het woord bij de daad, een enthousiaste getuigenis van de revolutie op Cuba, het Nieuwe Testament als inspiratiebron gebruikt. In het vijfde (en voorlaatste) hoofdstuk laat Buurlage zien dat Mulisch ook zijn romans en verhalen als labyrinten bouwt en daarin bovendien vergelijkbare thema’s aansnijdt, waardoor zijn oeuvre als geheel in de eerste plaats als een ‘continuüm’ moet worden beschouwd, een opvatting waarmee hij zich afzet tegen de thematische periodisering van De Rover in zijn bovengenoemde studie.
Tot hier -- en we zijn dan op vijfzesde van het betoog -- heeft Buurlage vooral aandacht geschonken aan zijn eerste taak: het aantonen van samenhang tussen de ‘documentaires’ en het werk als geheel. Hij slaagt in die opzet en laat op overtuigende wijze zien dat de verwevenheid van Mulisch’ oeuvre niet door de ‘documentaires’ wordt aangetast. Ik zou echter willen toevoegen: uiteraard slaagt hij daarin; wie overkomsten en verbanden wil signaleren, vindt ze al snel; wie een tekst als labyrint wil zien, ziet een labyrint. De gevolgde methode heeft bovendien een paradoxaal karakter: Buurlage isoleert een deel van het werk van Mulisch, namelijk de ‘documentaires’, omdat dit deel geheel eigen tekstuele eigenschappen bezit en als zodanig een bijzondere plaats inneemt binnen het werk, alsmede binnen de Nederlandse literaire cultuur van de jaren zestig en zeventig. Deze invalshoek is volkomen gerechtvaardigd, temeer daar eerdere studies het betreffende corpus grotendeels hebben veronachtzaamd. Vervolgens stelt hij echter zijn onderzoekstalent bijna geheel in dienst van het terugplaatsen van dit deel in het geheel. In plaats van zich te richten op de eigenheid van de ‘documentaires’, hun ongewone culturele verschijning of hun onderlinge interactie, ontkent hij zo hun bijzondere status weer.
Maar er is nog een slothoofdstuk. Hierin gaat Buurlage nader in op zijn tweede doelstelling, het schetsen van een politiek-literair-cultureel kader voor zijn onderzoek. Hij laat onder meer zien dat schrijvers rond 1960 achter hun boeken vandaan komen, hoe rolpatronen vanaf die tijd beginnen af te brokkelen en hoe de paperback en diverse subsidieregelingen de sociaal-economische positie van de Nederlandse schrijver veranderen. Hij geeft een aanzet tot een meer conceptuele analyse van die periode door het begrip ‘vervreemding’ naar voren te schuiven, bespreekt de ontwikkeling van de Amerikaanse Nieuwe Journalistiek in de jaren zestig en rondt dan nogal abrupt af met de opmerking dat een altijd op metamorfose gerichte auteur als Mulisch zich in dat tijdperk van snelle veranderingen als een vis in het water moet hebben gevoeld. Het zal duidelijk zijn: het slothoofdstuk fungeert slechts als een toegift, waarin de lezer summier een vrij willekeurig kader voor het begrijpen van de ‘documentaires’ krijgt aangereikt.
Het probleem van de karakterisering en afbakening van ‘de context’ is in vrijwel ieder letterkundig onderzoek aanzienlijk. Buurlage maakt echter nauwelijks woorden vuil aan de hieraan verbonden dilemma’s en dit wijst op een meer algemeen spanningsveld in zijn studie: de theoretische onderbouwing van zijn werkwijze en onderzoeksvragen is minimaal. Zo komt de specifieke genreproblematiek bijna niet aan de orde. Aan het begin poneert Buurlage dat hij zal spreken van ‘documentaire’ zonder de hieraan gelieerde problematiek uit te werken. De term ‘documentaire’ is beslist zinvol als aanduiding voor de teksten met een hoog reportage-gehalte (zoals De zaak 40/61, Bericht aan de rattenkoning en Het woord bij de daad), maar lijkt minder nuttig voor de teksten die vooral het eigen schrijverschap op mythologische wijze belichten (Voer voor psychologen en De toekomst van gisteren). Als gevolg van de gekozen werkwijze blijven bovendien de onderlinge verschillen tussen de ‘documentaires’ onderbelicht. Een ander nadeel is dat niet één van de ‘documentaires’ als afzonderlijke tekst -- als een retorische, literaire, culturele structuur met een eigen dynamiek -- scherp in beeld komt, zelfs het relatief veel ruimte toebedeelde Bericht aan de rattenkoning niet, terwijl bijvoorbeeld de meeste informatie uit het aan Mulisch’ filosofische denkbeelden gewijde hoofdstuk niet essentieel is voor het begrip van zijn literair-journalistieke praktijk. Het woord ‘nonfictie’ komt in de studie niet voor en daar zijn vast goede redenen voor, maar het kan dan geen kwaad om die ook te bespreken, want er bestaan tevens goede redenen om het onderzochte werk te omschrijven als ‘literaire nonfictie’. Buurlage’s betoog bevat een paar interessante culturele lijnen, zoals het effect van de televisie op de rol van de literatuur en de omslag in de verhouding tot Amerika in het Nederland van de jaren zestig. Maar die lijnen maken geen deel uit van een overkoepelende visie op cultuurverandering en het effect ervan op werk als dat van Mulisch. Door de weinig rechtlijnige filosofische opvattingen van de auteur als uitgangspunt voor de thematische beschouwing te nemen, ontstaat het risico dat de preoccupaties van de auteur en niet die van de onderzoeker richting geven aan het betoog; de studie is niet geheel vrij van deze tendens, die uiteraard mede een product is van de geringe theoretische onderbouwing. De gedeeltes waar Buurlage wel tot meer abstracte, systematische aanzetten komt, zoals de fragmenten in het vierde hoofdstuk over het gebruik van ‘drempels’ en ‘terminologische vervaging’ als destabiliserende tekststrategie, behoren tot de minst overtuigende schakels in het betoog.
Het effect van al deze factoren is dat de studie van Buurlage zich vooral onderscheidt door het geboden perspectief op Mulisch’ werk als geheel; had hij in plaats van de ‘documentaires’ de korte verhalen of het toneelwerk als uitgangspunt genomen, het resultaat zou vergelijkbaar zijn geweest. Al suggereert de onderzoeker aan het begin terecht dat het boeiend is om verder te kijken dan Mulisch en zijn universum, zelf blijft hij grotendeels binnen de relatief veilige grenzen van dat eigenaardige universum. Nieuw onderzoek van de literaire nonfictie van Mulisch dient zich dan ook juist buiten die grenzen te begeven. Dit kan bijvoorbeeld door uit te gaan van een conceptueel kader van cultuurverandering, waarin zaken als stijl, genre, identiteit, medialisering en cultuurkritiek centraal staan. In de tweede plaats zal het vruchtbaar zijn om dilemma’s en tekststrategieën in werken als Bericht aan de rattenkoning en Het woord bij de daad op meer systematische wijze in verband te brengen met die van de Amerikaanse ‘nieuwe’ of ‘literaire’ journalistiek. Niet alleen de door Buurlage genoemde Norman Mailer, maar ook auteurs als Tom Wolfe, Joan Didion en John Gregory Dunne zochten naar literair/journalistieke vormen om uitdrukking te geven aan de politieke en culturele verwarring van de jaren zestig en zeventig, waarbij het eigen imago als schrijver eveneens een voorname rol speelde. In de derde plaats kan een meer historiserende, vergelijkende benadering ons inzicht in de literaire nonfictie van Mulisch vergroten. Zo is er in de Nederlandse literatuur van de jaren negentig sprake van een opleving van het literair-journalistieke schrijven; studie van werk van Lieve Joris (De melancholieke revolutie,1990, naast Het woord bij de daad), Geert Mak (De engel van Amsterdam, 1992, naast Bericht aan de rattenkoning) of Henk van Woerden (Een mond vol glas, 1998, naast De zaak 40/61) kan het inzicht in dat van Mulisch verrijken. Wie overigens vanuit een hedendaags perspectief zijn ‘documentaires’ (her)leest, wordt getroffen door hun ideologische beladenheid. De wijze waarop Mulisch zich inlaat met ‘oorlog’, met gepolariseerde mondiale verhoudingen (arm/rijk) en invloedrijke politieke systemen als nazisme en communisme, suggereert een urgentie die in de op globalisering georiënteerde cultuur van vandaag opnieuw actueel is; ook dit aspect biedt een mogelijke ingang om de eigenheid en de literair-culturele betekenis van de ‘documentaires’ scherper te doen uitkomen.
| MNL Homepage | TNTL |