TNTL 117/4
Marco Goud
Noodlot en wederkeer : de betekenis van de filosofie in het werk van Louis Couperus / Maarten Klein. - Maastricht : Shaker Publishing, cop. 2000. - XIV, 273 p. : ill. ; 24 cm
ISBN 90-423-0109-0 Prijs: f 79,--
Sinds 1980 heeft de Nijmeegse taalkundige Maarten Klein veel over Louis Couperus (1863-1923) gepubliceerd. Hij is een van de weinige neerlandici die zowel op taal- als letterkundig terrein actief zijn. Inmiddels zijn de meeste van zijn artikelen over Couperus gebundeld in het vorig jaar verschenen boek Noodlot en wederkeer. De betekenis van de filosofie in het werk van Louis Couperus. Het boek telt negen hoofdstukken. Achtereenvolgens komen daar de volgende werken van Couperus in aan bod: Eline Vere, Noodlot, Extaze, Metamorfoze, Psyche, Jahve, De Zonen der Zon, Dionyzos, Aan den weg der vreugde, De berg van licht, Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan..., Antiek toerisme, Iskander en De binocle.
Volgens Klein hebben velen het werk van Couperus ten onrechte autobiografisch geïnterpreteerd. Hij doelt met name op de Couperus-biograaf F.L. Bastet, maar ook op andere commentatoren. Klein richt zich nadrukkelijk op Couperus’ werk en niet op diens leven. Zijn interpretaties zijn dus op de tekst gebaseerd. Meestal geeft hij een samenvatting en bespreekt hij enige motieven uit de tekst die hij in verband brengt met filosofische en culturele achtergronden. Daardoor ontstaat volgens Klein een nieuw beeld: ‘een Couperus die nauw aansluit bij de internationale beeldende kunst en literatuur, en bij de belangrijkste filosofische stromingen van zijn tijd’ (p. 9). Klein besteedt met name aandacht aan de ideeën van Ralph Waldo Emerson en Friedrich Nietzsche. Dat Couperus’ werk gerelateerd kan worden aan Emerson, met name Extaze (1892), weten we al sinds de publicaties van Jan Fontijn en Klein zelf uit 1983, maar Klein gaat er nu uitvoeriger op in. Hij benadrukt voortdurend de doorwerking in Couperus’ werk van Emersons ‘compensatiewet’, die inhoudt dat er een compenserende kracht is ‘die alles wat buitensporig is weer terugdringt tot een evenwichtig niveau’ (p. 52). Daardoor krijgt Kleins boek soms iets monotoons. Tegelijkertijd ontkracht Klein zijn stelling dat Couperus Emersons compensatiewet toepast in zijn werk door te schrijven dat deze wet in wezen neerkomt op ‘het eenvoudige "na regen komt zonneschijn, en omgekeerd"’ (p. 127-128).
Iets wat mij af en toe stoorde was de stellige toon. Enkele voorbeelden (cursiveringen van mij): ‘Voor een goed begrip waar het in Noodlot om gaat, is het noodzakelijk de inhoud van Ibsens drama Gespenster te kennen’ (p. 25). En: ‘Wie wil begrijpen wat er in Extaze gebeurt, moet eerst op de hoogte geraken van de inhoud van enkele van Emersons Essays, waarnaar in Extaze expliciet verwezen wordt’ (p. 52). Maar vooral: ‘Een goede interpretatie van het verhaal moet uiteraard op alle vragen een antwoord geven’ (p. 75). Elders schrijft Klein dat W. Blok een te beperkt aantal motieven in zijn boek over Van oude menschen geeft om ‘tot een volledige interpretatie van het boek te komen’ (p. 180). Maar wat is een ‘goede’ of een ‘volledige’ interpretatie? Klein verwerpt sommige interpretaties van Bastet en Fontijn, dat zijn kennelijk ‘slechte’ of ‘onvolledige’ interpretaties. Maar kán een ‘goede’ interpretatie wel op álle vragen antwoord geven? Ik geef de voorkeur aan interpretatieve studies die ook aandacht besteden aan ambiguïteiten en raadselachtigheden in literaire teksten. Kennelijk is Kleins opvatting dat er van een literair werk maar één juiste en volledige interpretatie kan bestaan.
Bovendien is Klein niet altijd consequent. Waar het hem uitkomt, maakt hij tóch gebruik van gegevens over Couperus’ leven. Het feit dat Couperus de Nederlandse vertaling van Nietzsches Also sprach Zarathustra -- in de vertaling van L.S.A.M. von Römer, met een opdracht van de vertaler aan Couperus -- in zijn bezit had, voert Klein op als ‘bewijs’ dat Couperus dit werk in zijn achterhoofd had bij het schrijven van Aan den weg der vreugde (p. 138). Maar dat hoeft natuurlijk niet noodzakelijk het geval te zijn. Tegelijkertijd vraagt de lezer zich af: wie was deze Von Römer eigenlijk? En waarom gaf hij Couperus zijn Nietzsche-vertaling? Via Von Römer is er een link mogelijk met het homoseksuele circuit.1
Ten slotte nog wat kanttekeningen. Het boek bevat geen register, wat erg onhandig is. Ook bevat het boek nogal wat herhalingen. Niet altijd is duidelijk wat Klein precies onder een bepaald concept verstaat, zoals bijvoorbeeld het symbolisme. Zijn literatuurverwijzingen zijn niet altijd even precies. Zo verwijst hij op p. 83 in noot 10 naar Van Halsema’s proefschrift over J.H. Leopold en zijn bronnen. Daarin zou staan dat Leopold het werk van Emerson kende. Klein geeft geen paginaverwijzing, dus de lezer moet nu zelf maar zien te vinden waar dit staat in Van Halsema’s vuistdikke boek. Nu staat de passage over Emerson daar toevallig vrijwel aan het begin (p. 17). Daar wordt echter niet gezegd dat Leopold het werk van Emerson kende. Leopold las een boek van Louisa Jebb, By desert ways to Baghdad, waarin een Hafiz-vertaling van Emerson staat. Overigens wijst Van Halsema er (op p. 535) op dat G.A. van den Bergh van Eysinga in zijn boek Voorchristelijk Christendom (1918) citeert uit Couperus’ De berg van licht. Dat lijkt me voor Klein een interessante verwijzing, maar hij noemt dit boek niet.
Klein heeft zijn boek luchtig en ludiek willen maken door te beginnen en te eindigen met de platenhoezen van The Beatles (onder meer Rubber Soul) en andere popgroepen uit de jaren ’60. In die tijd ziet hij een opleving van art nouveau. Als intermezzo staat in het boek ook een interview met ‘de auteur Louis Couperus’. Daarin laat Klein Couperus zeggen: ‘Ik heb uw analyses van mijn romans gelezen. U heeft mij er erg gelukkig mee gemaakt. Weet u, soms vraag ik mij af voor wie ik al die romans geschreven heb. Men leest zo slecht, meneer Klein!’. En: ‘U heeft helemaal gelijk: de idee dat alles weerkeert is in Extaze een heel belangrijk thema’ (p. 149). Natuurlijk kan men dit gefingeerde ‘interview’ lezen als een vorm van ironie, maar Klein lijkt hier toch ook te willen zeggen: Couperus had een bepaalde boodschap in zijn werk gelegd en die heb ik nu ontraadseld. Daarvan heeft Klein mij, ondanks zijn bewonderenswaardige belezenheid en aanstekelijke gedrevenheid, niet altijd weten te overtuigen. Niettemin is dit boek een aanwinst voor geïnteresseerden in Couperus’ werk en de literatuur en cultuur van het negentiende-eeuwse fin de siècle.
Noot
1Zie onder meer M. Keilson-Lauritz, Die Geschichte der eigenen Geschichte. Literatur und Literaturkritik in den Anfängen der Schwulenbewegung am Beispiel des Jahrbuchs für sexuelle Zwischenstufen und der Zeitschrift Der Eigene. Berlin, 1997, diss. UvA.| MNL Homepage | TNTL |