TNTL 117/4

Martin Hietbrink

Metaphor in cognitive linguistics : selected papers from the fifth international cognitive linguistics conference, Amsterdam, July 1997 / ed. by Raymond W. Gibbs, Jr., Gerard J. Steen. - Amsterdam [etc.] : Benjamins, cop. 1999. - VIII, 225 p. : fig., tab. ; 23 cm. - (Amsterdam studies in the theory and history of linguistic science. Series 4, Current issues in linguistic theory, ISSN 0304-0763 ; vol. 175)

ISBN 90-272-3681-X geb. / ISBN 1-556-19892-2 geb. Prijs: f. 130,--

De bundel bevat een tiental bijdragen, die door de redacteuren zijn geselecteerd uit een totaal van twintig lezingen die zijn gehouden op de vijfde internationale Cognitive Linguistics Conference, die in juli 1997 in Amsterdam is gehouden. Deze selectie heeft de onmiskenbare verdienste dat het een betrekkelijk actueel overzicht biedt van het zeer gevarieerde metaforologische onderzoek dat verricht wordt in het kader van de cognitieve semantiek. Centraal daarin staat steeds het uitgangspunt waarvoor Lakoff & Johnson in 1980 met hun bekende Metaphors We Live By met veel elan de aandacht hebben gevraagd. Daarin stellen zij onder meer dat het onderzoek naar metaforen zich ten onrechte richt op linguïstisch onderzoek naar semantische eigenschappen van bepaalde talige uitdrukkingen. In hun ogen verdient het de voorkeur de talige metaforen te zien als manifestaties van onderliggende conceptuele metaforen, dan wil zeggen in cognitieve of denkstructuren die bijvoorbeeld, en dus zeker niet uitsluitend, in taal tot uitdrukking kan komen.

De problematische relatie tussen taal en denken, die overigens de afgelopen eeuwen verschillende keren op zowel de taalkundige als de taalfilosofische agenda heeft gestaan, wordt in de optiek van Lakoff en Johnson feitelijk opgelost, in die zin dat de taal gezien wordt als een soort epifenomeen van het denken. En daar komt dan nog bij dat de psychologen en psycholinguïsten die zich met dit metaforologisch onderzoek bezighouden van een specifiek soort cognitivisme uitgaan. In die opvatting wordt het menselijk denken opgevat als een proces dat voornamelijk zo niet uitsluitend bepaald dan wel aangestuurd wordt door zintuiglijke, dat wil zeggen empirische ervaringen. Het hoeft geen betoog dat deze benadering wezenlijk verschillend is van het cognitie-onderzoek naar de relatie tussen taalstructuur en denken, dat centraal staat in het werk van iemand als bijvoorbeeld Ray Jackendoff.

Het zal duidelijk zijn dat een cognitieve theorie van de metafoor een zeer breed terrein van onderzoek definieert. In zijn bijdrage stelt Gerard Steen voor het begrijpen van een talige metafoor te analyseren als een cognitief proces dat uitgaande van een talige metaforische uitdrukking in vijf stappen resulteert in een conceptuele metafoor. Grady, Oekley & Coulson vragen aandacht voor een bekende en tot op zekere hoogte alternatieve metaforische theorie, de zogenaamde Blending Theory, die bekend is geworden door het werk van onder meer Fauconnier en Turner. Volgens de auteurs onderscheidt hun Blending theorie zich van de Lakoff’s Conceptuele MetaforenTheorie in het feit dat hun theorie bij uitstek geschikt zou zijn om het cognitieve proces te analyseren voor het begrijpen van unieke, niet-standaard en dus nieuwe metaforen.

Een opvallend aantal bijdragen is gewijd aan weer een andere verruiming van het onderzoeksterrein. Gibbs, Kövecses en Cienki gaan in hun respectievelijke bijdragen in op diverse aspecten van de relatie tussen conceptuele metaforen en de door de mens vormgegeven buitenwereld. Zij vragen zich af of conceptuele metaforen in de grond van de zaak individueel psychologische verschijnselen zijn en zoeken naar aanwijzingen dat metaforen ook als supra-individuele verschijnselen voorkomen in wat de antropologen de culturele wereld noemen. De auteurs van genoemde bijdragen gaan ervan uit dat de bekende, maar daarom nog niet minder problematische relatie tussen taal en werkelijkheid, geherdefinieerd kan worden in termen van een relatie tussen denken en werkelijkheid. Dat wil zeggen dat ook nu weer de taal als epifenomeen aan de zijlijn van hun belangstelling komt te staan.

De hier besproken bundel heeft zoals gezegd ongetwijfeld de verdienste dat de daarin opgenomen artikelen een goed overzicht bieden van het gevarieerde metaforologische onderzoek dat heden ten dage in het kader van meer in het bijzonder de cognitieve semantiek wordt verricht. Enigszins problematisch is het feit dat de auteurs het vaak doen voorkomen alsof het verschijnen van het ook in de inleiding van deze boekbeoordeling geciteerde boek een soort waterscheiding markeert: vóór 1980 zou sprake zijn van een soort duistere middeleeuwen en de moderne, wetenschappelijk verantwoorde metaforologie wordt dus pas sinds een twintigtal jaren bedreven. De uitspraak van Gibbs in de aanhef van zijn bijdrage is in dit opzicht even veelzeggend als historisch onjuist. (Voor dit laatste kan worden volstaan met te verwijzen naar de opvattingen van de surrealisten over het belang van metaforen voor het denken.)

Despite centuries of widespread belief that metaphor is a special linguistic, rhetorical device, much research in cognitive linguistics over the past twenty years has demonstrated that metaphor is not merely a figure of speech, but a special mental mapping that influences a good deal of how people think, reason, and imagine in everyday life (p. 147).

Het paradoxale is dat diezelfde Gibbs aan de andere kant als mederedacteur in deze bundel een prominente eerste plaats heeft toegekend aan uitgerekend een historische bijdrage. Olaf Jäkel opent namelijk met een historisch overzicht van het cognitieve denken, waarin hij enige publicaties (‘some forgotten contributions’) bespreekt van een incidentele Engelstalige, en verder voornamelijk Duitstalige taalkundigen en filosofen uit de periode vanaf ruwweg 1750 tot 1980. Jäkel beschouwt hen als wegbereiders, dan wel als voorlopers van de cognitieve metafoortheorie en maakt dan aan het begin van zijn bijdrage een opmerking die op gespannen voet lijkt te staan met de zojuist geciteerde uitspraak van Gibbs in diezelfde bundel:

For about threehundred years now, various mostly European philosophers and linguists have been anticipating the central tenets and findings of the cognitive theory of metaphor (p. 9).

Op pagina 11 zegt Jäkel dan wel het onderzoek van de Amerikanen Lakoff en Johnson ‘for the most part unhistorical’ is, en dat hun gebrek aan historische verantwoording hen dus niet kan worden aangerekend. Dat neemt niet weg dat zich hier naar mijn mening toch een niet onbelangrijk probleem voordoet. Het enkele feit dat gesuggereerd wordt dat de geschiedenis van de cognitieve metafoor theorie in de achttiende eeuw lijkt te beginnen plaatst deze benadering in de empiristische traditie die ruwweg gesproken met werk van Locke een aanvang neemt, en zich tot op zekere hoogte stelt tegenover de rationalistische traditie vanaf Port-Royal. Gesteld kan worden dat vanaf de achttiende eeuw deze twee tradities bepalend zijn voor het krachtenveld in de geschiedenis van de taalkunde. Dit brengt mij tot een waarschijnlijk typisch Europese opmerking dat de huidige cognitieve benadering van de metafoor er in mijn ogen alle belang bij heeft zich veel zorgvuldiger te verdiepen in de details van die inderdaad eeuwenoude empiristische traditie. Dat zal vermoedelijk hun opvatting over hun plaats in de geschiedenis van de metaforologie nuanceren, en ook kunnen zij voorkomen dat zij het wiel opnieuw gaan uitvinden.

Een belangrijk methodologisch kenmerk van de cognitieve taalkunde is het feit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen (theoretische) analyse en empirische toetsing, met dien verstande dat aan analyses de eis van empirische toetsbaarheid wordt gesteld. Niet minder belangrijk is dat deze empirische toetsing betrekking heeft op situaties van feitelijk taalgebruik. Dit is de kern van de onderzoeksmethodologie van de empiristische cognitieve theorie van de metafoor, zoals helder naar voren komt in de bijdrage die de mederedacteur Steen heeft geleverd aan de bundel. Doel van zijn bijdrage is een procedure te ontwikkelen om conceptuele metaforen op een controleerbare wijze te identificeren in lopende tekst (‘discourse’). Naar ik heb begrepen is deze procedure inmiddels nog verder verfijnd, maar heeft hij nog niet tot een 100% score geleid.

Gezien de moeilijkheden bij het ontwikkelen van deze procedure wekt het enige verwondering dat Boers in zijn bijdrage aan de bundel verslag doet van een kwantitatief corpusonderzoek dat hij verricht heeft op conceptuele metaforen. Hij heeft onderzoek gedaan naar de frequentie waarmee verspreid over de maanden van het jaar in The Economist metaforische uitdrukkingen voorkomen die betrekking hebben op het concept Gezondheid. Het onderzoek beperkt zich tot de deelverzameling van artikelen die volgens de auteur ‘clearly’ betrekking hebben op economische onderwerpen, iets wat naar mijn mening zonder expliciete criteria in de praktijk lang niet altijd eenvoudig is te bepalen. De resultaten van dit onderzoek leveren fraaie staafdiagrammen op waaruit valt af te lezen welke frequentie-variatie zich in de loop van het kalenderjaar heeft voorgedaan in de periode vanaf april 1986 tot maart 1996. Nog afgezien van het feit dat de auteur nalaat een statistisch uiterst relevant onderscheid te maken tussen ‘types’ en ‘tokens’, geeft hij nergens aan hoe hij te werk is gegaan bij het identificeren van de desbetreffende metaforische uitdrukkingen. Ik heb zo mijn twijfels over de controleerbaarheid van de kwantitatieve resultaten en vraag mij in het bijzonder af of een andere onderzoeker op basis van hetzelfde tekstcorpus tot vergelijkbare uitkomsten zou komen.

Afgezien van mijn kritische kanttekeningen bij een enkel artikel is het een interessante bundel geworden. In de hedendaagse taalkunde maakt de cognitieve benadering op dit moment internationaal gezien een belangrijke ontwikkeling door, die blijkens deze bundel ook de metaforologie niet onberoerd heeft gelaten. Behalve interessant is de bundel stimulerend, want er wordt een keur aan aanknopingspunten geboden voor nader onderzoek op het gebied van de Neerlandistiek.


| MNL Homepage | TNTL |