TNTL 117/4
Erwin Huizenga
De crumen diet volc niet eten en mochte : Nederlandse beschouwingen over vertalen tot 1550 / verz. en ingel. door Bart Besamusca en Gerard Sonnemans. - ’s-Gravenhage : Stichting Bibliographia Neerlandica, 1999. - 160 p. ; 24 cm. - (Vertaalhistorie ; dl. 6)
ISBN 90-71313-58-1 Prijs: f 35,--
In 1512 vertaalde Petrus Antonianus, vermoedelijk afkomstig uit Antwerpen, de Fasciculus medicine, een bundeling medische traktaten, uit het Latijn in het Middelnederlands. Hij deed dat omdat de toentertijd beschikbare medische bijstand verregaand ontoereikend bleek om in de bestaande behoefte te voorzien: want menich mensche in menigerande siecte dicwils haestelic doot blijft of verrast wordt doer die onbekentheit ende onwetenheit der hulpen (36/122, r. 23-251). De chirurgen en doctores deden hun werk niet goed, vervolgt Petrus, en daarom besloot hij voor de burgers van Antwerpen een vertaling te maken, zodat ze zichzelf konden helpen. Hij heeft fouten die hij ontdekte in de Latijnse tekst verbeterd, en bovendien ook nog andere bronnen gebruikt. Petrus beëindigt zijn opmerkelijke ontboezeming met een beroep op zijn mogelijke lezerspubliek, en pareert de kritiek die hij bij voorbaat voorziet:
Biddende alle kerstenen menschen die hair gheerne helpen souden, ende denghenen de haer tegen de siecheden bewaren willen, ende sonderlinghe denghenen de haer met cyrurgijnlijcke werckingen [chirurgische verrichtingen] behelpen, dat si onsen arbeyt in dancke willen nemen. Ende denghenen diet beter weten dat si onse fauten goedertierlic willen castigeren [verbeteren]. Ende den opsprekers [critici] dat si haren mont willen houden tot dat si wat beters gemaect hebben. Valete. (36/122, r. 38-43)
Hij weet ook wel dat zijn tekst verre van perfect is, maar voorlopig is er geen betere en moeten we het er maar mee doen, sneert Petrus naar zijn critici, alvorens met een laconieke groet zijn inleiding te besluiten. Zijn vertaling dient dus bij uitstek een pragmatisch doel: zowel het mogelijk maken van zelfmedicatie bij burgers in de eerste helft van de zestiende eeuw, als het ondersteunen van eenvoudige chirurgen en barbiers die het Latijn niet machtig zijn. Het publiek dat hij daarmee op het oog heeft staat recht tegenover dat van de geleerde Latijnse medische traktaten, dat eeuwenlang het medium was van de doctores en de toplaag van de chirurgen.
Het traktaat van Petrus Antonianus is één van de veertig teksten, of beter gezegd tekstfragmenten, die in De crumen diet volc niet eten en mochte op voorbeeldige wijze zijn geëditeerd. In dit boek zijn delen van teksten rondom één thema bijeengebracht, en wel de manier waarop in de periode tot 1550 in Middelnederlandse teksten werd gedacht over vertalen en alle problematiek die er mee samenhangt. En dat blijkt niet gering te zijn. Er is lang gedacht dat het theoretiseren van vertaalactiviteiten een verschijnsel was dat pas met de Renaissance goed op gang kwam. Maar, zoals de samenstellers in hun inleiding terecht constateren, niets is minder waar (p. 3). In een wereld waarin één universele, overkoepelende taal (het Latijn) slechts voorbehouden was aan een kleine groep van clerici, wetenschappen en andere universitair geschoolden, en waar tegelijkertijd de behoefte aan meer informatie en kennis onder steeds meer mensen sterk groeiende was, was het onvermijdelijk dat vertaalprocessen binnen de westerse cultuur een belangrijke rol gingen spelen. Het probleem is alleen, dat de middeleeuwse vertalers kennelijk niet graag over hun werk spraken of er bespiegelingen aan wijdden, maar liever gewoon aan de slag gingen. Daarom zijn opmerkingen hierover relatief schaars, en het valt de samenstellers des te meer prijzen, dat ze zóveel materiaal hebben bijeengebracht, en dat nog wel zonder een al te uitputtende of systematische speurtocht (p. 7 en 22).
In de beknopte maar uiterst leerzame inleiding laten Besamusca en Sonnemans hun geselecteerde teksten spreken, en glijdt een heel panorama aan onderwerpen voorbij. Achtereenvolgens worden daarin besproken: de vroegmiddeleeuwse tradities op het gebied van vertalen, aanduidingen voor vertalen, de reikwijdte van het vertalen, de bronnen die worden gebruikt, en de kritiek die de vertalers verwachten. Ook al uiten ze zich niet vaak over hun werk, er zijn in de Middeleeuwen wel degelijk theoretische principes waaraan een vertaler zich dient te houden. De belangrijkste fundamenten voor dergelijke principes waren tussen de vierde en de zesde eeuw gelegd door de kerkvader Hiëronymus en de filosoof Boëthius. De eerste was vooral een voorstander van de vrije vertaling, de ander leunde voornamelijk op een letterlijke woord-voor-woord-vertaling. Daarmee vertegenwoordigden zij de twee uitersten van het palet aan middeleeuwse vertaalmogelijkheden, en gaven het vorm.
De Middelnederlandse vertalers gebruiken verschillende termen om het begrip ‘vertalen’ aan te duiden. In de teksten die in De crumen diet volc niet eten en mochte zijn bijeengebracht, zijn dat er maar liefst veertien verschillende, waaronder keren, (over)setten, bedieden, ontbinden en dietschen of verduytschen (p. 8-9). Ook wordt er gereflecteerd op de vraag, hoever een vertaler kan of moet gaan. Sommigen, waaronder Jacob Vilt (32/112-115) en Nicolaus van Winghe (38-40/130-145), tonen zich streng in de leer: je moet zo letterlijk mogelijk trachten te vertalen. Anderen daarentegen wijzen er op, dat het lang niet altijd mogelijk is om letterlijk te vertalen, en kiezen daarom voor een vrijere vertaling. Een fraai voorbeeld hiervan is Jan van Brederode in zijn Des coninx summe, een vertaling van het Franse Somme le roy:
Mer wantmen die Francsoyse woerde niet al properliken in Duutsche en kan ghesetten also si staen, want het een ander maniere van spreken heeft dan dat Duutsche doet, als ghi wel weet, so heb ic onderwilen mere woerde daer toe gheset, onderwilen min, mer ic hope dat ic den sinne ende die grote materie heel ghelaten hebbe. (24/96, r. 1-4).
Jan stelt zich er dus mee tevreden om de betekenis en de grote lijnen van zijn tekst weer te geven, omdat er nu eenmaal anders gesproken wordt in het Frans dan in het Nederlands.
Een ander probleem waaraan door de vertalers aandacht wordt geschonken is de kwestie hoe je zo goed mogelijk kunt vertalen, wanneer je er ook nog rekening mee moet houden dat één en ander op rijm moet worden gezet. Dit is natuurlijk een belangrijke vraag, waar heel veel vertalers mee te maken kregen. Want door dergelijke versificatorische eisen wordt het natuurlijk nog moeilijker om letterlijk te vertalen.
Vertalers vertalen niet alleen, ze selecteren ook uit de tekst die ze onderhanden hebben, en worden daarmee bewerkers. In de inleiding wordt daar door Besamusca en Sonnemans terecht aandacht aan geschonken (p. 12-13). Aan het selecteren kunnen verschillende beweegredenen ten grondslag liggen: de vertaler/bewerker is het niet eens met bepaalde passages, hij wil het kort houden, hij vindt sommige fragmenten redundant, of hij vindt de niet-vertaalde delen gewoonweg niet mooi. Zo’n subjectief selectiecriterium geeft bijvoorbeeld de vertaler van de Sidrac: Ende oec some ander dinc, / Die my int herte niet en ginc, / Hebbic al gelaten uut (11/53, vss. 157-159). Nog een stapje verder gaat de vertaler die niet alleen een brontekst overzet, maar er bovendien ook nog eens een commentaar bij schrijft, omdat hij van mening is dat de tekst anders niet goed begrepen kan worden. Met regelmaat komen in de geselecteerde teksten ook opmerkingen voor over de brontekst die gebruikt is, of het publiek waarvoor de vertaling bedoeld is. Nogal eens noemen de vertalers hun opdrachtgever; Maerlants bekende opdracht aan Floris V in zijn Spiegel historiael (7/40, vss. 25-27) staat wat dat betreft zeker niet op zichzelf.
De meeste traktaten in deze bundeling zijn uit het Latijn vertaald, en het mag dan ook geen verbazing wekken dat verschillende vertalers melding maken van het niet beheersen van dat Latijn door het publiek dat ze willen bereiken, als reden om aan de slag te gaan. Een laatste punt dat in de inleiding aan bod komt, is het feit dat er met regelmaat sprake is van kritiek; kritiek van de vertalers op de inhoud van hun brontekst, óf kritiek op afwijzende reacties op hun eigen werk die ze al hebben ervaren, of die ze nog verwachten -- het citaat van Petrus Antonianus aan het begin spreekt wat dat betreft boekdelen (p. 17-22).
Wat opvalt aan de veertig teksten die zijn bijeengebracht, is dat reflecteren over vertalen blijkbaar vooral van belang was in een situatie waarin kennis moest worden overgedragen: het overgrote deel van de teksten betreft geestelijk-didaktische literatuur (heiligenlevens, evangeliën, bijbelvertalingen, preken, orde-regula), historische/historiserende traktaten (Maerlants Spiegel historiael, Noordnederlandse historiebijbel, Livius Roemsche historie van Jan Gymnick), en wetenschappelijk-utilitaire werken, waaronder de artes-literatuur (Heimelicheit der heimelicheden en Der naturen bloeme van Maerlant, Sidrac, Der vrouwen heimelicheit, chiromantie, en de genoemde Fasciculus medicine van Petrus Antonianus. Maar genres als Karel- of Arturepiek of de Troje-romans ontbreken (nagenoeg) geheel.
Van de veertig teksten zijn er zeventien op rijm gesteld, en drieëntwintig in proza, een min of meer gelijke verdeling dus. Daarbij moet echter wel aangetekend worden, dat het merendeel van de berijmde traktaten binnen dit chronologisch geordende boek in het eerste, oudere, deel voorkomt, terwijl de proza-teksten vooral in de tweede, jongere helft van het overzicht te vinden zijn.2 Dit komt vanzelfsprekend overeen één van de grote lijnen binnen de middelnederlandse literatuurgeschiedenis, namelijk de overgang van (overwegend) lange tot zeer lange rijmteksten (epiek) naar (overwegend) veel kortere proza-werken.3 De lengte van de geëditeerde tekstfragmenten loopt zowel voor de rijm- als de prozateksten zeer uiteen (en dat is logisch, want het hangt af van wat de vertalers kwijt wilden over het vertalen, het perspectief dat de samenstellers gekozen hebben): de kortste rijmtekst bedraagt 8 verzen (het Bouc van Seden, nr. 8), de langste 180 (de Sidrac, nr. 11); het kortste proza-fragment is 8 regels (Des coninx summe van Jan van Brederode, nr. 24), het langste is liefst 408 regels (Super modo vivendi van Gerard Zerbolt van Zutphen, nr. 19).
Besamusca en Sonnemans hebben ‘ernaar gestreefd de teksten zo toegankelijk mogelijk te maken voor zowel vertaalwetenschapper als medioneerlandici’ (p. 23), en daarin zijn ze naar mijn idee wonderwel geslaagd. Iedere tekst wordt voorafgegaan door een korte karakterisering van de tekst als geheel, van de vertaler/bewerker/auteur, en van de datering en/of lokalisering, én bovendien met een parafrase van de inhoud van het geëditeerde fragment, wat het heel eenvoudig maakt zich snel te oriënteren. Hoewel de teksten zelf niet diplomatisch zijn weergegeven, konden de ingrepen tot een minimum beperkt blijven. En datzelfde geldt voor de annotatie, die weliswaar zeer beknopt is, maar toch accuraat en afdoende. Ook de lijst met geraadpleegde literatuur, waarmee Die crumen afsluit, is bewust beknopt gehouden, en is zowel precies als effectief, omdat de lezer ruim voldoende aanzetten voor verder onderzoek wordt geboden.
Er is als gezegd geprobeerd om de geëditeerde tekstfragmenten in een chronologische volgorde aan te bieden, dat wil zeggen: naar datum van ontstaan. Het voordeel hiervan is dat de lezer een mooi beeld krijgt van de ontwikkelingen die er in de loop van drie, bijna vier eeuwen hebben plaatsgevonden in de gedachtevorming over vertalen in de Middelnederlandse letterkunde. Tegelijkertijd kleeft hieraan het nadeel, dat van veel traktaten de datering nogal onzeker is, waardoor bij de ordening soms arbitraire beslissingen moesten worden genomen; maar ook hiervan zijn de samenstellers zich steeds bewust geweest (zie p. 23). Dat de teksten openen met de Sint Servaes legende van Hendrik van Veldeke, zal echter wel door niemand worden betwist.
De samenstellers hebben zich gebaseerd op bestaande edities, en dat is een begrijpelijke keuze. Dat alleen bestaande edities al zóveel materiaal opleveren, doet beslist smaken naar meer. Want iedere medioneerlandicus komt vroeg of laat onvermijdelijk in aanraking met vragen als: wat heeft de bewerker van mijn tekst ermee gedaan? Welke bronnen heeft hij gebruikt en waaróm? Wat zijn z’n redenen geweest om juist in het Middelnederlands te schrijven? Voor wíe schreef hij eigenlijk? Natuurlijk kunnen dergelijke vragen naar bewerkingstechniek, receptiemechanismen en functionaliteit binnen de medioneerlandistiek al geruime tijd bogen op een vruchtbare traditie door tekst en brontekst in hun onderlinge samenhang te bestuderen. En ook de verhouding tussen de Latinitas en de Middelnederlandse letterkunde is al eens onderwerp van een NLCM-themagroep geweest.4 Maar nu hebben we dan ook eindelijk een overzicht van hoe de Middelnederlandse vertalers daar zélf over dachten. Hoeveel materiaal zal er in dit verband nog verborgen liggen in al die traktaten die het tot nu toe met veel minder aandacht hebben moeten stellen, of die nog zelfs helemaal niet onderzocht zijn? Ik geef een voorbeeld uit mijn eigen onderzoek.
Rond 1400 vertaalde de Vlaamse chirurg Jan Bertrand een belangrijk Latijns chirurgisch traktaat, de Rogerglosse, in het Middelnederlands. Maar hij deed meer dan dat: hij bewerkte zijn tekst ingrijpend. In het enige handschrift waarin zijn traktaat is overgeleverd, opent hij voor ons fraai een venster op de inzichten van zijn tijd met betrekking tot de verhouding Latijn-volkstaal. In zijn geval gaat het om een specifieke wetenschappelijke terminologie van Latijnse herkomst, een onderwerp dat in De crumen diet volc niet eten en mochte noodgedwongen nauwelijks aan bod komt. De reden voor Bertrand om hier de Latijnse termen te handhaven, is omdat er geen Middelnederlands equivalent van is -- ze hebben alleen maar hun Latijnse naam. Jan Bertrand is zich ter dege bewust van deze vertaalproblematiek, en wil zijn criticasters alvast een stapje voor zijn, net zoals Petrus Antonianus ruim een eeuw later. Hij merkt op:
Niement soe verwondere hem in dies dat ic dese Latijnsche worde scrive. [Bertrand verwijst hier naar een Latijnse naam voor een bepaalde olie, die aan deze passage vooraf gaat.] Want si en hebben anderen ne gheene. Al comen sotte dies niet en verstaen ende seggen: ‘men maechs alsoe propre niet seggen alst inden Latijn staet’. Dat sijn sotte dies selve niet en verstaen. Want al dat hier es ghescreven, es ons comen uut anderen talen dan ute den Latine. Ende waer omme en souden wi dan niet mogen maken in anderen talen dan inden Latine? [...] Nu soe gaen ic voert in mine materie5.
Alleen dit ene voorbeeld al laat zien, hoeveel werk er in dit opzicht nog verricht moet worden, en hoeveel van dergelijke nog onopgemerkte passages er nog verborgen zijn. Terecht wijzen Besamusca en Sonnemans er op, dat hun bloemlezing niet meer kan zijn dan een ‘aanzet [...] tot nadere studie van de beschouwingen over vertalen in de periode tot 1550’, en ook dat lang niet alle elementen die in hun inleiding genoemd worden voldoende konden worden uitgediept (p. 22). Wat zij hebben gedaan, is het een deel van het materiaal aanreiken via reeds bestaande edities. Het is aan anderen om dit langs meer systematische weg uit te bouwen, want het onderwerp is er beslist belangrijk genoeg voor.
Noten
1 In het vervolg zal steeds, in navolging van de inleiding van De crumen diet volc niet eten en mochte, op deze manier naar de teksten worden verwezen: (nummer van de tekst) / (pagina), (nummer van het vers of de prozaregel). De betreffende postincunabel is Amsterdam, UB, Ned. Inc. 88, fol. Ai.| MNL Homepage | TNTL |