TNTL 117/4
Jan Konst
Freie Universität Berlin
1650 : bevochten eendracht / Willem Frijhoff en Marijke Spies ; met medew. van Wiep van Bunge en Natascha Veldhorst. - Den Haag : Sdu Uitgevers, cop. 1999. - 704 p. : ill. ; 28 cm. - (Nederlandse cultuur in Europese context ; 1)
ISBN 90-12-08621-3 geb. Prijs: f 99,17,--
Aan een synthetiserende monografie, die het spectrum van het Nederlandse cultuurleven tijdens de zeventiende eeuw in zijn volle breedte behandelt, heeft tot op de dag van vandaag eigenlijk behoefte bestaan. Natuurlijk zijn daar de cultuurhistorische studies van mensen als Johan Huizinga (1941), J.L. Price (1974) en Simon Schama (1987), maar tot een boek waarin de hoofdlijnen van de Nederlandse maatschappij en mentaliteit getraceerd worden, een boek dat tegelijkertijd een overzicht biedt van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld de geloofsgeschiedenis, schilder- en beeldhouwkunst, architectuur, literatuur, wijsbegeerte en muziekleven, is het nog niet gekomen. Verbazing hoeft dat op de keper beschouwd niet te wekken, want om een dergelijk overzichtswerk te schrijven moet men over een Universalwissen beschikken, waarop heden ten dage waarschijnlijk nog maar weinig onderzoekers kunnen bogen. Tegen deze achtergrond is de prestatie van Willem Frijhoff en Marijke Spies des te opmerkelijker: hun Bevochten eendracht laat de culturele veelzijdigheid van de zeventiende-eeuwse Republiek ten volle tot haar recht komen en zet daarbij onmiskenbaar eigen accenten.
De studie van Frijhoff en Spies is ontstaan binnen het kader van het NWO-programma ‘De Nederlandse cultuur in Europese context’, dat van grote betekenis is geweest voor het onderzoek in de geesteswetenschappen tijdens de jaren negentig. Chronologisch geordend rond een viertal ‘ijkpunten’ (te weten de jaren 1650, 1800, 1900 en 1950) werd op grote schaal interdisciplinair onderzoek geïnitieerd dat in het bijzonder ook de plaats van de Nederlandse cultuur in een internationale samenhang diende te belichten. Zo ook komt het dat het boek van Frijhoff en Spies primair als een momentopname geconcipieerd is. Het gaat hen om een beschrijving van de situatie rond 1650, toen de Noordelijke Nederlanden zich met de Vrede van Münster (1648) politiek geconsolideerd had en er een gevoel van nationale saamhorigheid bij haar inwoners post gevat had. Toen, om het met de woorden van Frijhoff en Spies te zeggen, de eendracht in het land na, of misschien beter nog, dankzij de lange vrijheidsoorlog tegen Spanje bevochten was. De culturele eigenheid van de Nederlandse Republiek wordt door de beide auteurs in het bijzonder ook gedefinieerd in het contrast met de haar omringende buurlanden. Op die manier wordt voortdurend rekenschap gegeven van de ‘Europese context’, die zijn betekenis juist ook in de voorstelling van de Republiek als difussieland krijgt: ‘Het pakte een innovatie van elders op, maakte er een succesformule van en gaf haar vervolgens aan andere landen door’ (p. 21).
Kiest men zoals Frijhoff en Spies voor een dwarsdoorsnede, de beschrijving van de situatie op een bepaald moment, dan doet zich automatisch het probleem voor hoe om te gaan met ontwikkelingen die tot de bewuste situatie geleid hebben, dan wel met ontwikkelingen die die situatie juist als vertrekpunt hebben. Het moet in dit verband toegejuicht worden dat de auteurs van Bevochten eendracht, hoezeer ook hun studie inderdaad de beoogde momentopname biedt, er niet voor teruggeschrokken zijn het voor- en naspel van het uitgangsjaar 1650 daar waar nodig uitgebreid te belichten. In het hoofdstuk over de filosofie, dat voor een belangrijk deel aan de doorbraak van het Cartesianisme rond het midden van de zeventiende eeuw gewijd is, vindt men zodoende niet alleen het nodige over de al wat oudere aristotelicus Franco Burgersdijk (1590-1635), maar bijvoorbeeld ook over Lodewijk Meijer (1629-1681), wiens Philosophia Sacrae Scripturae Interpres (1666) aan het begin van de jaren zeventig voor veel ophef zorgde. Evenzo biedt het hoofdstuk over de verschillende geloofsrichtingen in de Republiek niet alleen een beschrijving van de status quo rond 1650, maar is er in kort bestek bovendien aandacht voor het onstaan van de verschillende confessies in de Nederlanden en worden bepaalde dissidente persoonlijkheden -- hier kunnen bijvoorbeeld Adriaan Koerbagh (1632-1669) en Petrus Serrarius (1600-1669) genoemd worden -- tot in de jaren zestig en zeventig gevolgd. Door deze bewust gezochte historische dimensie wordt de bruikbaarheid van Bevochten Eendracht alleen maar vergroot.
De contouren van de vernieuwende visie van Frijhoff en Spies op de zeventiende eeuw krijgen meer in concreto gestalte in enkele paragrafen waarin de opzet van de studie en de daarmee samenhangende keuzes verantwoord worden. (p. 51-69) De auteurs definiëren in dat verband hun cultuurbegrip, ze bespreken enkele in hun ogen centrale kenmerken van de zeventiende-eeuwse Nederlandse cultuurgemeenschap en bezien de structuren die de culturele uitwisseling met andere Europese naties mogelijk gemaakt hebben. Belangrijk zijn vier sleutelbegrippen (zie vooral p. 68) die in deze paragrafen geïntroduceerd worden en die in hoge mate bepalend blijken te zijn voor de blikrichting in de capita die volgen op het eerste, inleidende hoofstuk. Frijhoff en Spies beschouwen de Noordelijke Nederlanden in de eerste plaats als een discussiecultuur, een samenleving die haar betekenis voor een belangrijk deel krijgt in het maatschappelijke debat dat op allerlei niveau’s en in uiteenlopende constellaties gevoerd wordt. In de tweede plaats wijzen ze op het belang van de middengroepen als volwaardige participanten in dit debat -- karakteristiek voor de Republiek achten zij het feit dat de brede burgerij niet alleen aangesproken wordt, maar juist ook gehoor vindt. Een derde sleutelbegrip doelt op de ideologische pluriformiteit en culturele verscheidenheid die konden ontstaan dankzij de zogenoemde neutraliteit van de publieke ruimte, waarin dominante, dwingende stemmen eerder de uitzondering waren. In de vierde en laatste plaats vragen Frijhoff en Spies aandacht voor de rol van de Republiek als diffusieland, de Nederlanden als -- het kwam al even aan de orde -- ‘doorgeefluik’ van kennis.
Na deze principiële overwegingen volgt een hoofdstuk over het staatsbestel en de bestuurscultuur, een hoofdstuk over de urbanisatie en het leven in de stedelijke ruimte, gevolgd door een nuttige schets van de ‘instrumenten van cultuur’, dat wil zeggen het Nederlands als lands- en eenheidstaal, het onderwijsbestel in de Republiek en de betekenis van drukkers, uitgevers en boekverkopers voor het cultuurbedrijf. Daarna is de aandacht in een reeks afzonderlijke hoofdstukken gericht op onder meer de filosofie, de religie, de architectuur, de beeldende kunsten, literatuur en muziek. Met een korte conclusie eindigt dan Bevochten eendracht, dat al met al meer dan 700 pagina’s omvat. Het voert in het kader van deze boekbespreking te ver om de diverse culturele uitingsvormen alle aan de orde te stellen, maar op exemplarische wijze wil ik met betrekking tot de literatuur laten zien, hoezeer de behandeling door Spies en Frijhoff mede-bepaald wordt door de in de vorige alinea genoemde sleutelbegrippen.
De letterkunde staat in twee hoofdstukken centraal: ‘De Zusterkunsten’ (p. 441-477) en ‘Literatuur en Muziek’ (p. 537-601). Het eerste van deze twee hoofdstukken is gewijd aan de verhouding tussen literatuur en schilderkunst. Uitgangspunt vormt daarbij de inwijding van het Amsterdamse stadhuis in 1654, een gelegenheid waarbij dichters en schilders eendrachtig samenwerkten om de stad Amsterdam te verheerlijken. Kunsttheoretische en poëticale noties, die in een aantal teksten naar aanleiding van de jaarlijkse feestmaaltijden van het St.-Lucasgilde in 1653 en 1654 geformuleerd worden, legden daarbij een stevig fundament onder de samenwerking tussen dichters en schilders. Vervolgens bespreken Frijhoff en Spies de zogenaamde beeldgedichten, gedichten bij schilderijen, die in de vijftiger jaren duidelijk aan populariteit winnen. Ook het bimediale genre van de emblematiek komt uitgebreid aan de orde. Tevens is er aandacht voor de allegorische voorstellingswijze, die zowel in de literatuur als de schilderkunst -- vooral ook na de verschijning van Cesare Ripa’s Iconologia, of uytbeeldinghen des verstands (1644) -- rond het midden van de zeventiende eeuw tot een ware mode werd. Tenslotte gaan Frijhoff en Spies op een ander bimediaal genre in, dat van de rijmprenten, die op een vaak breed publiek gericht waren en die een educatieve, vermakende of opiniërende functie in het maatschappelijke krachtenspel hadden.
Het hoofdstuk over literatuur en muziek opent met een kort overzicht van de Neolatijnse poëzie en enkele beschouwingen bij een reeks bloemlezingen met Nederlandstalige dichtkunst uit de jaren vijftig. Vervolgens lichten Frijhoff en Spies het sociale karakter van de poëziebeoefening toe en gaan ze in op gelegenheidslyriek en vrouwenpoëzie. Bij de dan volgende beschouwingen over de klassieke poëtica is er aandacht voor het oeuvre van Vondel en wordt Jan Vos, zeker op toneelgebied zijn belangrijkste literaire opponent, kort behandeld. In contrast met de klassiek georiënteerde Vondel komen dan de zogenaamde anti-idealistische dichters aan bod: Huygens, Cats en Six van Chandelier. Boden tot dusverre in hoofdzaak formele en poëticale aspecten de onderscheidende criteria, in het directe vervolg van het hoofdstuk geven inhoudelijke categorieën de lijn van het betoog in. In de paragraaf over literatuur en politiek wordt een aantal pamfletten en drama’s aan de orde gesteld; de paragraaf over literatuur en religie is onder meer gewijd aan Vondels overgang tot het katholicisme en het werk van religieuze dichters; de paragraaf over literatuur en burgerlijk leven beperkt zich overwegend tot gelegenheidslyriek en het genre van de hofdichten. Na deze paragrafen, waarin de themakeuze de belangrijkste invalshoek vormt, volgt een bespreking van enkele genres die in het bijzonder op vermaak, op het diverteren van de gebruiker, gericht zijn: materiaalverzamelingen voor een beschaafde conversatie, amusementsliteratuur in de vorm van novellen en romans, en tenslotte literatuur die voor het uitgaans- en gezelschapsleven bestemd is, zoals daar zijn ‘romantische’ drama's, kluchten en liedboekjes. Een korte beschouwing over de receptie van Nederlandse auteurs in Europa vormt het sluitstuk van de behandeling van de literatuur in dit hoofdstuk.
Overziet men de hier kort samengevatte hoofdstukken dan vallen twee dingen in het oog. In de eerste plaats kan men vaststellen dat het met het gezag van de literaire canon goeddeels gedaan is. Genres die in de traditionele literatuurgeschiedenissen een veelal ondergeschikte rol spelen, hebben bij Frijhoff en Spies een duidelijk prominentere plaats gekregen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan het beeldgedicht, de emblematiek, het verhalende proza, rijmprenten en anekdotenverzamelingen. Veel aandacht is er ook voor de gelegenheidslyriek, die, ontstaan in de contreien van de brede burgerij, meer dan eens wordt opgevoerd om de participatie van de maatschappelijke middengroepen in het culturele leven te illustreren. Door het loslaten van de canon wordt het overzicht van Frijhoff en Spies door een breedte getypeerd die zonder meer als winst aangemerkt moet worden. Tegelijkertijd echter komt een aantal ‘canonieke’ teksten er bij hen wat bekaaid van af. Wanneer men bedenkt dat beide auteurs uitgebreid ingaan op het Konstboek (1660) van Gesina ter Borch, terwijl ze ook voor de Batavische Arcadia (1637) van Johan van Heemskerck bijna een hele pagina reserveren, dan staan de twee zinnen die aan Vondels Jeptha (1659) gewijd worden daarmee in schril contrast. Dat is eens te meer het geval, wanneer men bedenkt dat de tragedie, samen met het epos -- zoals ook Frijhoff en Spies onderstrepen -- tijdens de zeventiende eeuw als het meest prestigieuze literaire genre gezien werd.
Dat Jeptha een ondergeschoven positie inneemt, lijkt alles te maken te hebben met het feit dat het dramatische werk van Vondel vanaf de jaren vijftig op betrekkelijk weinig publieke belangstelling kon rekenen. Zo stellen Frijhoff en Spies:
Tot dan toe [dat wil zeggen, tot aan het begin van de jaren vijftig] was hij een zeer succesvol toneelschrijver geweest. De Gysbreght van Aemstel werd tussen 1638 en de sluiting van de Schouwburg in 1665 niet minder dan 110 maal opgevoerd en ook zijn volgende stukken werden vaak gespeeld. Maar na 1650 ging het mis. Lucifer werd na twee opvoeringen verboden. Maar ook Jeptha, hoewel opgepronkt met een vertoning van Jan Vos, haalde in vijf jaar tijds slechts elf opvoeringen, en de daarna geschreven stukken liepen nog slechter, een aantal werd zelfs helemaal niet meer op het toneel gebracht, al bleef men ze waarschijnlijk als leesdrama's wel waarderen (p. 547).
Vondels bijbelspelen kunnen op die manier nauwelijks nog een rol in het publieke debat spelen, zodat er in Bevochten eendracht, dat juist de contouren van de zeventiende-eeuwse discussiecultuur beoogt te schetsen, voor deze drama's kennelijk slechts een plaatsje aan de zijlijn is ingeruimd.
Tegen deze achtergrond kan men zich niet aan de indruk onttrekken dat Frijhoff en Spies zich bij de selectie van hun materiaal in het bijzonder ook rekenschap gegeven hebben van de publieke werkzaamheid van literaire teksten. Hun interesse blijkt speciaal uit te gaan naar werken die een duidelijke positie kiezen in het maatschappelijke krachtenspel, werken ook waarvan men mag aannemen dat ze de meningsvorming beïnvloed hebben. Kenmerkend is in dit verband niet alleen de aandacht voor de opiniërende functie van rijmprenten of drama’s met een bepaalde politieke boodschap, veelzeggend is ook het feit dat de waarschijnlijk meest besproken tekst van Vondel diens Inwydinge van ’t Stadthuis t’Amsterdam is, een relatief lang gelegenheidsgedicht dat de dichter bij de ingebruikneming van het nieuwe Amsterdamse raadhuis geschreven heeft. Een belangrijk werk, niemand zal dat ontkennen, maar in mijn ogen zeker niet het meest typerende werk voor Vondels oeuvre in de jaren vijftig. Wél betreft het een tekst die bij uitstek laat zien op welke wijze literatuur deel kan hebben aan het maatschappelijke debat. Vondel steekt de loftrompet over het bestuur van de stad Amsterdam en brengt een ideologie van vrede en vrijheid onder woorden die bij de inwoners van Amsterdam, wier welvaart voor een belang deel op de internationale handel berustte, brede instemming gevonden zal hebben. Op die manier heeft de Inwydinge waarschijnlijk meer effect gesorteerd dan Jeptha, een ambitieus drama dat het nodige van het publiek vergt en waarschijnlijk om die reden maar weinig toeschouwers naar het Amsterdamse theater vermocht te lokken.
Een tweede bijzonderheid die bij lezing van het overzicht van Frijhoff en Spies opvalt, is de aandacht voor de functie van literatuur -- wat uiteraard alles te maken heeft met centrale noties als de discussiecultuur, de neutraliteit van de publieke ruimte en de participatie van de middengroepen. Interpretaties van afzonderlijke werken, beschouwingen over stofkeuze, thema's en motieven, stilistische analyses -- dat alles treft men betrekkelijk weinig aan. Algemeen geldt dat inhoud en vorm hun betekenis primair in relatie tot de vermeende functie van een tekst krijgen. Frijhoff en Spies onderkennen een flink aantal verschillende functies: een opiniërende, een opvoedende en een ontroerende functie, een literator ‘ventileerde’ bijvoorbeeld ‘opinies en gevoelens of verbeeldde [...] gedragspatronen met de bedoeling de lezers te beïnvloeden’ (p. 559), zo ook heten literaire werken ‘uitdrukking [te] geven aan algemeen aanvaarde religieuze en morele waarden’ (p. 538), of wordt gesteld dat ‘in verreweg de meeste gevallen de dichtkunst met het volle gewicht van haar klassieke herkomst de eigentijdse politieke belangen’ (p. 565) diende. Verder wordt de maatschappelijke functie van gelegenheidspoëzie bij herhaling beklemtoond (p. 538: ‘het oliën van de sociale omgang’) en vragen Frijhoff en Spies aandacht voor het amusementsgehalte van bepaalde literaire vormen. Een soort Leitmotiv vormt tenslotte de emotionele functie van literatuur, die naar de voorstelling van Frijhoff en Spies in hoge mate typerend is voor de literatuur rond 1650: ‘Op allerlei gebieden, in de literatuur, maar bijvoorbeeld ook in de godsdienstige beleving, krijgt men soms het gevoel dat voor sommigen de prikkeling van de emoties een doel op zichzelf werd’ (p. 547); en evenzo: ‘Ook daar [in de schouwburg] ging het in toenemende mate om ontroering, ontzetting desnoods en vermaak, méér dan om morele belering en bezinning zoals bijvoorbeeld Vondel die wilde bieden’ (p. 583).
Dit laatste citaat geeft mij aanleiding tot twee opmerkingen. In de eerste plaats geloof ik niet dat het de toneeldichter Vondel exclusief om ‘belering’ en ‘bezinning’ te doen is geweest. Ook zijn bijbeldrama’s uit de jaren vijftig en zestig -- ook al geven die inderdaad de door Frijhoff en Spies gesignaleerde ‘verinnerlijking’ (p. 547) te zien -- zijn er volgens mij in de allereerste plaats op gericht de emoties van de toeschouwers te bespelen, zij het op een onmiskenbaar andere manier wijze dan bijvoorbeeld Jan Vos, Reinier Bontius en Geeraardt Brandt dat doen, dichters die rond het midden van de zeventiende eeuw in de schouwburg de grootste successen boekten. Er zijn met andere woorden verschillende manieren om de emoties aan te spreken. Dat voert mij tot een tweede punt. Frijhoff en Spies wijzen op een aantal verschillende functies in steeds wisselende bewoordingen. Daarbij wordt vaak niet duidelijk of we met verschillende varianten van één en dezelfde functie te doen hebben, of dat de verschillende formuleringen als synoniemen gezien moeten worden. Wat is bijvoorbeeld het verschil tussen opiniëren en opvoeden, hoe verhouden zich ontroeren en het prikkelen van de emoties, betekent het uitdrukking geven aan algemeen aanvaarde morele waarden dat de lezer beleerd wordt, zijn belering en bezinning hetzelfde, worden, wanneer bepaalde opinies geventileerd worden de eigentijdse politieke belangen gediend? En zo ja, hanteren auteurs daartoe verschillende middelen? Waarin schuilt het vermaak van een literaire tekst, is vermaak hetzelfde als amusement? Hoe onderscheidt zich ontzetting van ontroering? Het zijn vragen die eigenlijk als vanzelf opdoemen en die omwille van de helderheid van de argumentatie een antwoord behoeven. Juist ook omdat de functie van literaire teksten de centrale invalshoek van Frijhoff en Spies uitmaakt, ware terminologische duidelijkheid op dit punt wenselijk geweest.
Dat laatste wil ik aan de hand van één functie nader illustreren, of namelijk literatuur tot doel kan hebben de persoonlijke emoties van de dichter tot uitdrukking te brengen. Neen, zeggen Frijhoff en Spies resoluut: ‘Wat niet in de kunsten thuishoorde waren individuele gevoelens en ervaringen. Zelfs het verdriet over een sterfgeval werd in het lijkdicht op een algemeen plan getild volgens de op school geleerde regels van het genre’ (p. 443). In deze zinnen klinken onmiskenbaar de opvattingen van W.A.P. Smit door, maar op grond van een aantal voorbeelden die nota bene Frijhoff en Spies zelf opvoeren, kan men zich met recht afvragen of hij het helemaal bij het juiste eind heeft gehad. Voor Huygens geldt bijvoorbeeld dat ‘het poëtische [...] in een bijzondere manier van spreken [lag]. En dan "spreken" inderdaad in de zin van een persoonlijke uiting’ (p. 550). Een tweede voorbeeld. Naar aanleiding van het gedicht Ouderdom (1653) leest men: ‘Wat bij Cats in deze jaren opvalt, is diens obsessie met de dood’ (p. 569). Nog een voorbeeld. Na een aangrijpend citaat, waarin Six van Chandelier zijn gevoelens beschrijft bij het zien van het lijk van zijn vader, wordt gewezen op Jeremias de Decker, ‘wiens religieuze werk misschien nog persoonlijker en directer was dan dat van Six van Chandelier’ (p. 552). Dat laatste wordt even later nog eens toegelicht met een fragment uit een gedicht van De Decker, waarin men ‘de uitdrukking van beurtelings woede, wanhoop, verbijstering en ten slotte berusting’ (p. 575) waar kan nemen. En De Decker blijkt niet alleen te staan, want Frijhoff en Spies concluderen: ‘Een dergelijk gehalte aan en variatie in expressiviteit was, ondanks alles wat Hooft en Vondel op dit gebied al voorgedicht hadden, inderdaad een nieuw verschijnsel’ (Ibidem). Constantijn Huygens, Jacob Cats, Six van Chandelier, Jeremias de Decker, Hooft en Vondel -- het zijn voorwaar niet de geringste namen! Met betrekking tot de laatste leest men op zeker moment bovendien nog dat zijn Altaergeheimenissen (1645) ‘als de beschrijving van het innerlijke proces van Vondels eigen bekering’ (p. 568) gelezen kunnen worden.
Algemeen zou dus gelden: geen ‘individuele gevoelens en ervaringen’. Maar met betrekking tot zes buitengewoon belangrijke dichters, wier werk in velerlei opzicht model staat voor de zeventiende-eeuwse literaire productie, worden termen gebezigd als ‘persoonlijke uiting’, ‘obsessie’, ‘persoonlijker en directer’, de ‘uitdrukking van woede, wanhoop en verbijstering’, ‘expressiviteit’ en ‘de beschrijving van het innerlijke proces’. Doelt dit alles nu op iets anders dan ‘individuele gevoelens en ervaringen’? Volstaan de regels van de kunst eigenlijk om vroegmoderne poëzie te begrijpen, of moeten we niet toch ook meer naar de persoonlijkheid van de dichter kijken? Wanneer het betoog van Frijhoff en Spies op dit punt iets duidelijk maakt, dan is dat niet alleen dat ook hier de terminologie gestroomlijnd zou moeten worden, maar ook dat nader onderzoek over het al dan niet persoonlijke karakter van zeventiende-eeuwse literatuur dringend gewenst is.
De toon van de in het voorgaande genoteerde woorden mag kritisch zijn, ze laten evenwel onverlet dat Bevochten eendracht een prachtig boek is: het is breed opgezet, vernieuwend en rijk aan visie. Kernbegrippen als discussiecultuur en neutraliteit van de publieke ruimte zullen mede-bepalend zijn voor de inzichten van generaties van studenten in de geschiedenis, de neerlandistiek, de kunstgeschiedenis, de filosofie, de religiegeschiedenis -- of beter gezegd, van studenten in alle geesteswetenschappelijke richtingen.
| MNL Homepage | TNTL |