TNTL 117/4

Marijke Mooijaart

Dichten in stijl : Duitse kleuring in Middelnederlandse teksten / Corrie de Haan. - Amsterdam : Prometheus, 1999. - 237 p. : ill. ; 22 cm. - (Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen ; 20) Ook verschenen als Proefschrift Universiteit Leiden.

ISBN 90-5333-885-3 Prijs: f 42,95

Dichten in stijl is de titel van het proefschrift waarmee Corrie de Haan op 15 december 1999 aan de Leidse universiteit promoveerde. De ‘stijl’ in kwestie betreft de manier waarop de Middelnederlandse woordvormen in een aantal werken van rond 1400 afgewisseld worden met Middelhoogduitse, een verschijnsel dat doorgaans, en ook in dit boek, met ‘Duitse kleuring’ wordt aangeduid (zie de ondertitel). Het onderzoek werd uitgevoerd binnen het project Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen (NLCM), maar ‘in deze studie zal het verschijnsel Duitse kleuring taalkundig benaderd worden’ (p. 15).

In de inleiding worden uitgangspunten en methode geschetst. Eerst wordt vastgesteld dat een taalgeografische benadering niet aan de orde is, omdat een mengtaal met een afwisseling van Middelnederlandse en Middelhoogduitse vormen geen dialectische realiteit vertegenwoordigen kan. Ook kan men de mengtaal niet verklaren uit het beurtelings in de ene en in de andere regio functioneren van een tekst, waardoor beide hun stempel op de taalvormen zouden hebben gedrukt, want de teksten functioneerden in het Middelnederlands taalgebied. Rijm en hypercorrecties blijken daar mede aanwijzingen voor te zijn. De kleuring moet dus opzettelijk aangebracht zijn.

Vervolgens onderzoekt De Haan primaire functie en techniek van de kleuring, waarbij onder meer gebruik gemaakt wordt van een theorie ter verklaring van taalverwervingsverschijnselen (zie verder). Ook wordt aansluitend bij de beschrijvingen van de verschillende teksten ingegaan op eerdere suggesties voor verklaringen. Het onderzoek behelst echter geen literair-historische aspecten.

De studie heeft als object vier casus, teksten die verschillende genres vertegenwoordigen of ontstaan zijn binnen verschillende cultuurhistorische contexten en waarbij men dientengevolge verschillende typen Duitse kleuring zou kunnen verwachten: het Gruuthuse-handschrift, Der minnen loep van Dirc Potter, de ereredes van Heraut Gelre en het Haags liederenhandschrift, alle vervaardigd rond 1400. Aan elk van deze teksten wordt een hoofdstuk gewijd, bestaande uit een inleiding, een beschrijving en een slotbeschouwing.

In een afsluitend hoofdstuk komen de verschillende gradaties en typen Duitse kleuring aan de orde, met per tekst bijzonderheden over de achtergronden, over eerdere onderzoeken en over de richting waarin de verklaring gezocht kan worden.

De Haan onderscheidt de verschijnselen in haar beschrijving naar verschillende taalkundige niveaus: het lexicale, het fonologische en het morfologische niveau (p. 20-22; waar op p. 20 gezegd wordt dat kleuring op lexicaal niveau de Middelhoogduitse ‘vormen’ betreft zou ik van ‘woorden’ spreken; ‘vormen’ verwijst immers naar alle typen taalverschijnselen met een bepaalde verschijningsvorm). Een dergelijke indeling is zeker zinvol voor eventuele verklaringen, maar vormt tegelijkertijd een hachelijke onderneming. Bijvoorbeeld, is hertze naast herte een lexicale aanpassing, terwijl toch alleen de t is aangepast? De Haan denkt na ampele overweging van wel op grond van het feit dat deze aanpassing in de desbetreffende tekst in woorden als corten en wortel ontbreekt (p. 31). Bij ich (zelfde tekst, p. 31) denkt ze eveneens aan kleuring op lexicaal niveau, in plaats van op fonologisch niveau (verschuiving van k) of morfologisch niveau (het betreft een pronomen), omdat waarschijnlijk het hele woord werd overgenomen en niet een klank of verbuiging werd aangepast. Hier speelt de interpretatie een grote rol; beter kan men zo formeel mogelijk indelen en pas bij een beoordeling factoren als frequentie of herkenbaarheid meewegen.

Het lijkt er in veel gevallen op dat ‘echte’ lexicale aanpassing, d.w.z. het overnemen van geheel van de eigen taal afwijkende woorden, veel minder vaak plaatsvindt dan klankaanpassing. Als het criterium is, dat de tekst herkenbaar moet blijven voor het Nederlands sprekende publiek, zijn regelmatige fonologische aanpassingen door vervanging van steeds eenzelfde Nederlandse klank of klankenreeks door een Hoogduitse, dus k door ch, t door tz etc., het meest voor de hand liggend, en analogievormingen als grootze naast grootte (of grote? p. 54), bij uitstek Nederlands met een Duits kleurtje, bijzonder effectief. Zo valt ook te verklaren dat ich als aanpassing van ik zeer algemeen is, terwijl hi, althans in de Gruuthuse-liederen, nooit vervangen wordt door er (of de varianten her, hê) (p. 49). Ik vraag me daarbij af, of verklaringen vanuit het mechanisme van taalverwerving, waarbij de volgorde waarin men bepaalde categorieën taalvormen overneemt kenmerkend is voor bepaalde strategieën van taalverwerving (zie hierover p. 49 voor het Gruuthuse handschrift; p. 158 e.v. voor de algemene verklaring) voor alle gevallen van Duitse kleuring van toepassing zijn. Op zijn minst moet hierin onderscheiden worden in de oppervlakkige aanpassingen die we onder anderen zien bij Potter, die toch in het geheel niet de bedoeling had om echt Hoogduits te schrijven (d.i. het Hoogduits als taal te verwerven), en de veel verder gaande verduitsing in de ereredes V-VII van heraut Gelre.

In de studie valt de zorgvuldige observatie van de taalverschijnselen in de teksten en de categorisering van de geconstateerde aanpassingen te waarderen. Steeds worden Duits gekleurde vormen naast hun zuiver Middelnederlandse equivalent geplaatst. Typering als Duits dan wel Nederlands kan evenwel een probleem opleveren wanneer een variant zowel Nederlands als Duits zou kunnen zijn. Dit probleem van het ontbreken van strikte grenzen tussen Nederlands en Duits in de beschreven taalfase wordt op eenvoudige wijze opgelost door de Hoogduitse klankverschuiving op voorhand een prominente rol toe te kennen bij de identificatie. Doordat er vele verschoven vormen in de aanpassingen voorkomen, zoals hertze, apfel en rijch, die niet in een Middelnederlands dialect voorkomen, wordt ‘Het Duits dat we in de Middelnederlandse teksten aantreffen, [...] in deze studie aangeduid met de term "Middelhoogduits"’ (p. 17). Daarmee wordt bedoeld, dat taalvormen die zowel in het Middelhoogduits als in het Limburgs of oostelijk Middelnederlands voorkomen, op grond van het statistische overgewicht van de evident Middelhoogduitse taalvormen, maar mogelijk ook om redenen van cultuurhistorische aard, als Middelhoogduits worden opgevat (p. 16, 17).

De keuze om alle Duits in de gekleurde teksten als Middelhoogduits op te vatten is als werkhypothese zeker vruchtbaar. Ook een eerder onderzoek naar de Duitse kleuring, van Brigitte Schludermann, stelt deze tweedeling centraal. Zij doet in haar studie A quantitative analysis of German/Dutch Language Mixture in the Berlin Songs mgf 922, the Gruuthuse-songs, and the Hague Ms 128 E2, Göppingen 1996, verslag van een statistisch onderzoek naar de kenmerken in drie mengteksten, waarvan er twee, het Gruuthuse-handschrift en het Haagse liederenhandschrift, ook tot het onderzoeksobject van De Haan behoren. De kern van dit onderzoek, dat zeer veelomvattend is, wordt gevormd door elf variabelen die alle de Hoogduitse klankverschuiving betreffen. Hierop zijn kwantitatieve analyses uitgevoerd, die als resultaat hebben dat er verschillende typen verwantschappen aangetoond konden worden tussen de drie onderzochte teksten. De Haan meent dat dit onderzoek door de beperking tot de oppositie Hoogduits - niet Hoogduits, geen recht doet aan de grote variatie binnen de onderzochte mengteksten (p. 15). Dit oordeel bevreemdt enerzijds omdat dezelfde tweedeling ook bij De Haan centraal staat, en geeft bovendien een te beperkt beeld van Schludermanns onderzoek, dat wel degelijk ook allerlei andere kenmerken behelst. Het is dan ook jammer dat de resultaten ervan, bijvoorbeeld de door Schludermann geconstateerde tweedeling binnen het Haagse handschrift, verder geen rol spelen in het onderzoek van De Haan. Kwantitatief onderzoek heeft onmiskenbaar als voordeel dat het controleerbaar is en dat analyses mogelijk zijn die verbanden blootleggen die bij gewone observatie onzichtbaar blijven.
De studie van De Haan biedt overigens voldoende gegevens om nog eens kwantitatief te analyseren. De talloze frequentiecijfers worden weliswaar op heel diverse manier gepresenteerd, maar zijn bijna altijd ergens, in de tekst zelf of in eindnoten, vermeld, en slechts een enkele keer worden onvolledige opgaven gedaan. Een voorbeeld daarvan is te lezen op p. 124 waar gezegd wordt dat in het Haags liederenhandschrift 97b (textueel overeenkomend met een deel van HLH 45) veel minder Duitse vormen voorkomen maar dat er echter nog wel 5x ich staat. Hier missen we het aantal voorkomens van de niet-aangepaste vorm ick om het getal van 5 in het juiste perspectief te kunnen plaatsen. Voor een meer impressieve beoordeling, zoals De Haan die uiteindelijk levert, is dit natuurlijk minder een probleem.

Zoals gezegd was de doelstelling van het onderzoek in de eerste plaats de beschrijving van het ‘uiterlijk’ van de Duitse kleuring. Na de uitputtende opgaven van kenmerken kon de schrijfster de volgende algemene karakteriseringen van het verschijnsel geven:

-kleuring is dynamisch: een tekst kan in verschillende fasen van de totstandkoming gekleurd en eventueeel ontkleurd worden.
-de kenmerken zijn per tekst en soms ook binnen een tekst verschillend naar aard en frequentie.

Verder geeft zij in het slothoofdstuk een beschrijving van de kleuring als techniek. Het is duidelijk waarom voor het onderzochte fenomeen de term kleuring gehanteerd wordt, en niet de neutralere term taalmenging, en voor het resultaat mengtaal en mengteksten; vergelijk Mischsprache, language mixture. Er wordt door De Haan in de afzonderlijke onderzoeken van de vier casus op basis van het rijm of hypercorrecties, of om taalexterne redenen, bepaald dat er sprake is van een Middelnederlandse basistekst, die in enige fase van vervaardiging aangepast wordt door het gebruik van Duitse taalvormen. In bepaalde gevallen lijkt echter de totstandkoming van een Duitse tekst het doel, namelijk in de eerder genoemde ereredes. Het is de vraag of men dan van kleuring, toch een cosmetische operatie, kan blijven spreken.

Deze kanttekeningen betreffen maar enkele van de vele aspecten van De Haans onderzoek naar de Duitse kleuring. De grote verdienste van de studie is, dat er nu een uitvoerige en nauwkeurige beschrijving van een zeer complex type teksten ligt, door iemand die heel goed naar de taalvormen gekeken heeft. Iedereen die zich in de toekomst met dit onderwerp bezighoudt kan daar zijn voordeel mee doen.


| MNL Homepage | TNTL |