TNTL 117/4

Jan Noordegraaf

De Nederlandse taalkunde in kaart / W. Smedts & P.C. Paardekooper (red.). - 1e dr. - Leuven ; Amersfoort : Acco, 1999. - 288 p. ; 25 cm. Gew. herdr. van de oorspr. uitg.: Leuven : Katholieke Universiteit, Departement Linguistiek, 1986.

ISBN 90-334-4296-5 Prijs: f 54,50

De Nederlandse taalkunde in kaart is de herziene uitgave van een in 1986 verschenen gelijknamige, geoffsette publicatie die onder redactie stond van P.C.Paardekooper. Deze editie-1986 dankte haar ontstaan aan het feit dat Paardekooper in augustus/september 1985 tijdens een reeks gastcolleges in Zuid-Afrika z’n toehoorders een overzicht wilde bieden van ‘de stand van zaken in de neerlandistiek, vooral in de Nederlandse taalkunde’ en toen op elementaire bibliografische lacunes stuitte. Het is hem daarna gelukt om ‘in zeer hoog tempo’ een aantal medewerkers aan te trekken ‘voor de samenstelling en produktie van een verre opvolger van Van Haeringens Netherlandic Language Research [19541], waarvan de tweede uitgave dateert van 1960’, aldus Wim Hendriks in een Dokumentaalrecensie uit 1987 die trouwens vrij kritisch was: onder meer veel verwijzingen naar BNTL-rubrieken deugden niet. De veranderingen die zich sinds 1986 op het vakgebied hebben voorgedaan, maakten het noodzakelijk dat voor een nieuwe editie opzet en inhoud van het boek grondig aangepast en uitgebreid zouden worden. Als mederedacteur is nu W. Smedts aangetreden, die in 1986 de omvangrijke bibliografie voor z’n rekening had genomen.

Wat is nu precies het doel van deze uitgave? In aanvulling op andere, al bestaande werken wil deze vernieuwde en verzorgd uitgegeven Nederlandse taalkunde in kaart ‘vakgenoten en studenten een nauwkeurig en kritisch overzicht geven van het voornaamste wat er de laatste vijftig jaar gepresteerd is’ op het vakgebied, zo luidt het op bladzijde zeven. Aan de hand van een redactionele leidraad in de vorm van een zevental vragen bieden dertig auteurs in negenentwintig hoofdstukken uitvoerige bibliografische informatie over hetgeen in hun specialisme -- van ‘Bibliografieën’ tot en met ‘Nederlands als tweede taal’ -- aan belangrijks verschenen is.

De aanpassingen in de structuur van het boek laten iets zien van de ontwikkelingen die de neerlandistiek in de laatste decennia van de twintigste eeuw heeft meegemaakt. Weggelaten is het hoofdstuk ‘Adressen van instellingen op het gebied van de Nederlandse taal en letteren’. Toegevoegd zijn hoofdstukken als ‘Elektronische wegwijzers’ (Hüning) en ‘Spelling’ (Neijt). Enkele hoofdstukken zijn gesplitst. ‘Fonologie’ (Van der Hulst & Van Oostendorp) en ‘Morfologie’ (Booij), ‘Tekstwetenschap’ (Van Belle & Maes) en ‘Pragmatiek’ (Ensink), ‘Afasiologie’ (Prins & Tervoort) en ‘Gebarentaal’ (Tervoort), ‘Nederlands als vreemde taal’ (Beheydt) en ‘Nederlands als tweede taal’ (Extra & Vallen) worden nu als afzonderlijke onderwerpen behandeld. De besproken literatuur wordt per hoofdstuk opgegeven, terwijl in 1986 er één samenvattende, compres gedrukte bibliografie was opgenomen. Er is aandacht voor de resultaten van de extramurale neerlandistiek. Al deze aanpassingen lijken me evenzoveel verbeteringen. Er zijn ook enkele nieuwe auteurs aangetrokken, die de oudere versies van de gehandhaafde hoofdstukken ‘als onderleggers’ (p. 8) hebben mogen gebruiken.

Ik zie maar af van het opsommen van de titels van alle negenentwintig bijdragen (zie daarvoor Neder-L 9910.29). De informatieve inhoud van deze zo ver mogelijk in de tijd bijgewerkte hoofdstukken voldoet ruimschoots aan wat men van de fine fleur van de ‘boven de strijdende partijen staande’ (p. 8) meewerkende specialisten -- die bestaan dus blijkbaar -- mag verwachten. De omvang van de bijdragen (gemiddeld bijna 9,5 pagina) wisselt: het door Klein besproken onderwerp syntaxis telt 8 bladzijden, de dialectologie (door Berns) telt 19 pagina’s. Zoals gebruikelijk bij dit soort werken verschilt de wijze waarop de veelheid aan gegevens wordt gepresenteerd. Er zijn zeer leesbare essays bij; sommige auteurs hebben er duidelijk naar gestreefd om hun verhaal niet louter een bibliografische opsomming te laten zijn. Genoopt tot bondigheid laten verscheidene contribuanten verrassend klare oordelen over studies van naaste collega’s uit de pen vloeien: ‘weinig toegankelijk’, ‘minimaal’, ‘onevenwichtig’, ‘snel verouderd’ enzovoort.

Het is op deze plaats niet zinvol om bij elk hoofdstuk eventuele lacunes en/of desiderata te noteren. Overzichtswerken vormen nu eenmaal een notoir lastig genre -- bepaalde informatie in het hier besproken boek blijkt nu al achterhaald te zijn. Ik wil me beperken tot een enkele opmerking over de algemene opzet, iets waartoe de redacteuren expliciet uitnodigen (p. 9).

Allereerst signaleer ik wat een Noord-Amerikaanse collega een ‘social crime’ zou noemen: het valt direct op dat er in dit boek geen register is opgenomen, wat bij naslagwerken van welke aard dan ook een standaardprocedure zou moeten zijn, zoals Van Haeringen in 1954 al heeft ingezien. Een andere opmerkelijke omissie is het feit dat de geschiedenis van de Nederlandse taalkunde in dit boek slechts behandeld wordt tot circa 1750 (Dibbets). Op zich is dat al een halve eeuw vooruitgang vergeleken met de uitgave-1986, toen de geschiedenis van de Nederlandse taalkunde slechts tot rond 1700 besproken kon worden. De huidige redactie heeft ervoor gekozen de fout van P.C. Paardekooper uit 1986 te continueren en etaleert daarmee een geheel eigen visie op de geschiedenis van de neerlandistiek. Weggelaten is het hoofdstuk ‘Adressen van instellingen op het gebied van de Nederlandse taal en letteren’: die informatie ‘dateert te snel’ (p. 8). In ruil voor dat hoofdstuk had ik graag een beknopt systematisch overzicht gezien van de manier waarop ‘het neerlandistisch bedrijf’ (p. 9) in Nederland en Vlaanderen is georganiseerd. Het lijkt me immers van belang om aan studenten duidelijk te maken dat het taalkundig leven zich niet alleen afspeelt op studeerkamer en bibliotheek of tijdens al dan niet boeiende colleges, maar ook op congressen en talloze andere discussiebijeenkomsten en symposia. De ‘Taalkunde-in-Nederland’-bijeenkomsten van de Algemene Vereniging voor Taalwetenschap bijvoorbeeld, wijlen de Vlaamse en Nederlandse Filologencongressen en zelfs het Nationaal Dictee hadden in zo’n overzicht kunnen worden opgenomen. Dergelijke gegevens vindt men nu soms ook wel in het boek, maar broksgewijs, verspreid over de verschillende hoofdstukken. Ook hier had een register goede diensten kunnen bewijzen.

Aan bepaalde Nederlandse universiteiten wordt Middelnederlands nog als herkenbaar studieonderdeel gedoceerd, evenals het onderdeel Zeventiende-eeuws. Zeventiende-eeuws nu krijgt in dit boek een afzonderlijk hoofdstuk toegedeeld (Van Leuvensteijn), maar Middelnederlands niet. Studenten Nederlands, expliciet genoemd als doelgroep, hadden het vast plezierig gevonden wanneer, zoals bij Van Haeringen, een afzonderlijk stuk aan deze taalfase was gewijd. Informatie daarover zoeke men nu onder meer in het stuk over ‘Historische taalkunde’ (Taeldeman), waarin uiteraard ook het een en ander over zeventiende-eeuws te vinden is. Aan de studie van het Afrikaans (Ponelis) is een afzonderlijk hoofdstuk van 10 pagina’s gewijd (vergelijk ook het commentaar van Hendriks 1987:159). Zonder de relevantie en het interessante van het Afrikaans in twijfel te trekken kan men zich afvragen of in een boek over Nederlandse taalkunde een deel van dit hoofdstuk niet beter had kunnen worden gecombineerd met of geïntegreerd in het betrekkelijke korte hoofdstuk ‘Het Nederlands buiten Europa’ van De Vries.

De vraag naar wat de redactie nu eigenlijk onder Nederlandse taalkunde verstaat, doet zich ook bij andere onderdelen voor. Twee voorbeelden. Taalfilosofie, door Parret compact in kaart gebracht, is een vak, zo stelt de auteur, dat zich niet bezig houdt met de beschrijving, analyse en verklaring van het Nederlands. Taalfilosofie reflecteert over het fenomeen ‘taal’ in het algemeen; in Nederland leunt ze aan tegen de algemene taalwetenschap en wordt dan zoiets als ‘methodologie van de linguïstiek’ (p. 47). Over Nederlandse taalkunde in engere zin vindt men bij Parret dan ook weinig (caveat lector: zijn tekst is, overigens zonder dat dit erbij wordt verteld, een nagenoeg ongewijzigde herdruk van de versie-1986). Een tweede voorbeeld. In dit boek wordt het vak taalbeheersing gepresenteerd als een onderdeel van taalkunde. ‘In de Nederlandse situatie is dat misleidend’, schrijft de Leidse taalbeheerser Braet, want taalbeheersing is toch ‘het derde hoofdonderdeel van de neerlandistiek’. Braet voelt zich kennelijk wat ongemakkelijk bij deze usurpatie. Toch gaat hij onder het juk van de taalkunde door, accomodeert zich door zijn bijdrage dan maar te beperken tot Nederlandstalige publicaties over taalbeheersing, al vallen daardoor belangrijke in het Engels geschreven publicaties (van Van Eemeren en Grootendorst bijvoorbeeld) buiten zijn overzicht. Al met al kan men zich afvragen of een volgende editie van dit boek nog wel uitsluitend ‘Nederlandse taalkunde’ in de titel moet voeren.

Een laatste kanttekening. In zijn bijdrage over ‘Elektronische wegwijzers’ doet Hüning de suggestie dat in een volgende editie van dit boek de elektronische informatie niet meer in een afzonderlijk hoofdstuk wordt behandeld, maar geïntegreerd in de desbetreffende thematische hoofdstukken (p. 37). Ik geef Hüning gelijk. Het is bijvoorbeeld jammer dat nu al niet meer elektronische informatie verwerkt is in De Schepper z’n hoofdstuk over tijdschriften en tijdschriftregisters. Het wordt uit de redactionele verantwoording niet duidelijk waarom de door Hüning al in maart 1998 bepleite integratie in deze uitgave niet systematisch van het begin af aan is nagestreefd.

Zoals gezegd, het samenstellen van overzichtswerken is in het algemeen een complexe bezigheid. Het positieve aan De Nederlandse taalkunde in kaart is de rijke informatieve inhoud en de talrijke literatuurverwijzingen. Dertien jaar na het verschijnen van de eerste editie is het wel jammer dat de door de nieuwe redactie nagestreefde aanpassing niet grondiger is gebeurd. Diverse omissies, onevenwichtigheden en desiderata zijn gebleven. Al zijn de verwijzingen naar de betreffende BNTL-rubrieken geschrapt, de redacteuren hebben naar het schijnt op een aantal punten nog te veel geleund op het decennia geleden ontworpen BNTL-stramien, daar waar een kritische reflectie gewenst was op wat ‘Nederlandse taalkunde’ anno 1999 precies inhoudt.


Literatuur

Van Haeringen 1954 -- C.B. van Haeringen: Netherlandic Language Research. Men and works in the study of Dutch. Leiden, 1954.
Hendriks 1987 -- Wim Hendriks: Bespreking van P.C. Paardekooper (red.), De Nederlandse taalkunde in kaart. Leuven, 1986. In: Dokumentaal. Informatie- en communicatiebulletin voor neerlandici 16 (1987), p. 158-160.


| MNL Homepage | TNTL |