TNTL 117/4
Ton van Strien
"’t Spoor der dichteressen" : netwerken en publicatiemogelijkheden van schrijvende vrouwen in de Republiek (1600-1750) / door Annelies de Jeu. - Hilversum : Verloren, 2000. - 373 p. : ill. ; 24 cm
Ook verschenen als proefschrift Universiteit Utrecht, 2000.
ISBN 90-6550-612-8 Prijs: f 49,70
Van het begin af aan heeft het werk aan de grote bloemlezing Met en zonder lauwerkrans. Schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne tijd 1550-1850, die in 1997 verscheen, onderzoek losgemaakt op allerlei deelgebieden van de vroegmoderne ‘vrouwenliteratuur’. In september 2000 verdedigde Annelies de Jeu, een van de voornaamste medewerkers aan het project, het eerste proefschrift dat eruit is voortgekomen: ‘’t Spoor der dichteressen’. Netwerken en publicatiemogelijkheden van schrijvende vrouwen in de Republiek (1600-1750). Het is een rijk boek, waarin niet alleen het aantal ons bekende schrijvende vrouwen uit de periode ten opzichte van de Lauwerkrans bijna wordt verdrievoudigd, maar waarin velen van hen ook een gezicht krijgen en een plaats in het literaire leven van hun tijd. Hoewel de ‘instituten’ (rederijkerskamers, universiteiten) voor hen gesloten bleven, waren ze niet geheel geïsoleerd, en ze blijken in staat te zijn geweest om initiatieven te ontplooien, contacten te leggen, zonder daarmee groot opzien te baren -- geheel volgens het clichébeeld van ‘de "Hollandse" vrouw’ waar buitenlanders altijd zo van opkeken. Intussen laat De Jeu duidelijk zien dat de drempel om met werk naar buiten te treden voor vrouwen hoger lag dan voor mannen, zeker in de eerste helft van de behandelde periode. Alleen hun godsdienstige werk vond gemakkelijker verspreiding, al had dat (vermoed ik) meer te maken met de grotere vraag naar stichtelijke lectuur in het algemeen dan met een bijzondere behoefte aan de vrouwelijke stem in religiosis. Het was in elk geval een domein, naast dat van de familie- en vriendenkring, waar vrouwen geacht werden thuis te zijn. Zo mochten zij hun creativiteit uitleven in gelegenheidsgedichten voor kleine kring en vrome teksten; van iets anders keek men algauw vreemd op, zeker als het ook nog om controversiële thema’s ging (p. 220-221). De ‘Bronnenlijst van gedrukte teksten van vrouwen actief tussen 1600-1750’ (p. 283-332) is dan ook een bijna ononderbroken litanie van titels ‘Aan’, ‘Op’ en ‘Over’, van ‘stichtelijk’ tot zelfs ‘zeer stichtelijk’ (p. 309, Van Osch). Mannen schreven natuurlijk niet minder van dat soort gedichten, maar die konden er vroeg of laat nog ‘Poëzy’ boven zetten. Voor vrouwen bleef het meestal bij deze losse publicaties.
Een mooi boek; ik heb wel een paar vragen maar ik zeg er meteen bij dat die gemakkelijker te stellen zijn dan te beantwoorden. Wel denk ik dat er aan diepgang gewonnen was, als De Jeu ze ook gesteld had. Om te beginnen valt op dat haar studie, ondanks de suggestie die van de titel uitgaat, feitelijk niet gaat over de betekenis van netwerken voor vrouwen die wilden publiceren. Het gaat over netwerken van schrijvende vrouwen, althans over de contacten die zij onderhielden met andere schrijvende vrouwen en mannen (wat niet hetzelfde is, ik kom daar nog op terug), en over hun publicatiemogelijkheden, maar niet over het verband daartussen. Dat zal wel bestaan hebben, en dat wordt ook als iets vanzelfsprekends aangenomen (p. 17), maar aangetoond wordt het zeker niet. Eerder integendeel. De twee delen van het boek -- deel 1: ‘netwerken’ en deel 2: ‘publicatiemogelijkheden’ -- vertonen zelfs nauwelijks onderling verband: de meeste namen uit deel 1 komen niet terug in deel 2 en als dat wel gebeurt, is dat niet in het kader van deze vraagstelling. Ook in de ‘Nabeschouwing’ (p. 274-281) wordt geen poging gedaan de twee componenten van het boek met elkaar te verbinden: er wordt gesproken over de ontwikkeling van een model voor netwerkreconstructie (§2), en over patronen in publicatiemogelijkheden (§3), maar niet over het verband tussen die twee. Waar is de vrouw die wij haar netwerk zien gebruiken om haar werk in druk te helpen? Margareta van Godewijck (p. 36-49) had, zo lezen we, haar poëzie in twee handgeschreven bundels bijeengevoegd, en relaties had ze ook, in Dordrecht, maar van uitgeven kwam niets, en waarom weten we niet. En omgekeerd: een kleine eeuw later worden de gedichten van Aurelia Zwartte uitgegeven (p. 131-139), op aandringen van enkele ‘dichtkundige vrinden’ allicht, maar hebben die vrienden haar ook geholpen? Onbekend. De drukker was Willem Barents uit Amsterdam, en Zwartte, suggereert De Jeu, ‘zal met hem contact hebben gelegd toen ze in die stad woonde.’ Goed, maar dat had ze dan ook wel zonder netwerk kunnen doen. En dan, wat weten we eigenlijk van de betekenis van zo’n publicatie zolang we vrijwel niets weten over oplagecijfers en verspreiding? De Jeu doet het een beetje voorkomen alsof ‘publiceren’ het felbegeerde lot was van iedereen die schreef en alsof dat synoniem was met ‘gedrukt worden’. Maar zo simpel zal het niet geweest zijn. Ik herinner maar aan de vragen rond Hoofts Emblemata amatoria uit 1611: een cadeau voor de bruiloftsgasten of een ‘publicatie’? Voor een eeuw later zijn dat soort vragen evenmin beantwoord.
Nogmaals: ik zeg niet dat het onderzoek hier tekort is geschoten, want er is waarschijnlijk over dit soort dingen maar heel weinig concrete informatie te vinden, en het archiefwerk van de auteur is over de hele linie voorbeeldig. Maar wat meer problematisering was toch wel op zijn plaats geweest. Zo vind ik ook (ik gaf het al aan) dat het woord ‘netwerk’ in deze studie veel te snel en kwistig gebruikt wordt. Het is hier nagenoeg synoniem met ‘contact(en)’. Als Alida Bruno in december 1657 een lofdichtje aan Huygens stuurt op de te verschijnen Koren-bloemen, dan heet het meteen maar ‘dat de weinig bekende schrijfster vorm trachtte te geven aan haar literaire netwerk’ (p. 11). Maar was ze wel ‘een weinig bekende schrijfster’ en niet veeleer een dichtende kennis van Huygens, van wie een lofdichtje toch wel het minste was? Als ze hier al ‘netwerkte’, dan ging het haar volgens mij niet om haar literaire positie, maar om die mooie Koren-bloemen -- van echte literaire ambitie blijkt verder toch ook niets bij haar (vgl. ook het portret van haar door Strengholt in H. Duits e.a. (red.), Een lezer aan het woord, Amsterdam/Münster 1998, p. 203-228). Zelfs het hoofdstuk over Sybille van Griethuysen, een casus waar de auteur veel werk van maakt, kan mij -- hoe interessant het verder ook is -- in dit opzicht nauwelijks overtuigen. Anders dan De Jeu zie ik maar weinig doelgerichtheid in de ‘carrière’ (p. 114, niet mijn term) van een dichteres die nu eens hier, en dan weer daar (zie de conclusie van dit hoofdstuk, p, 114-115) literaire contacten opdeed, die bijvoorbeeld contact met Huygens zocht (volgens De Jeu: om ook buiten Friesland de aandacht op zich te vestigen, p. 111-112), maar vervolgens het contact tien jaar lang liet sloeren (p. 112), en die nota bene volgens De Jeu zelf ook niet meer dan een token woman was voor sommige Friese letterheren (p. 112, 115). Het gaat mij allemaal wat te snel. ‘Ze vervulde een voorbeeldrol voor andere dichteressen en vormde het middelpunt van een zeker vrouwennetwerk’, staat in de conclusie (p. 115), maar eerder lezen we niets anders dan dat Griethuysen (in één geval) ‘de rol van inspiratrice op zich lijkt genomen te hebben’ (p. 105 -- een formulering trouwens die volgens mij ook al meer activiteit suggereert dan aantoonbaar is) en dat ze ‘een netwerk van door literatuur geboeide seksegenoten om zich heen leek verzameld te hebben’ (p. 114). Dat kan allemaal best wel gebeurd zijn -- zo gaan die dingen als je veel en graag schrijft -- maar deed ze het er ook om? Alleen dan zou ik geneigd zijn van ‘netwerken’ te spreken, als er sprake is van een bepaalde doelgerichtheid, en die zie ik niet bij Griethuysen: alleen liefhebberij. Netwerksters wáren er natuurlijk: een echte moet Maria Margareta van Akerlaecken geweest zijn, die zich, uit bittere noodzaak, aan de Kleefse society lijkt te hebben opgedrongen als lofdichteres en ‘genealogiste’, maar helaas hebben we bij haar geen gegevens buiten de gedichten om dat te staven. Hoe dan ook, voor het aannemen van een netwerk is meer nodig dan het aantonen van contact, anders verliest de term zijn betekenis. En dat dreigt in dit boek toch wel te gebeuren. Dat neemt niet weg dat het onmisbaar is voor iedereen die een goed beeld wil krijgen van de positie van schrijvende vrouwen in de Republiek.
| MNL Homepage | TNTL |