TNTL 117/4
J.J.V.M. de Vet
Hieronymus van Alphen: Literair-theoretische geschriften. Studie-uitgave, verzorgd door Jacqueline de Man. Deel 1 / Teksten. Deel 2 / Commentaar. Den Haag: Constantijn Huygens Instituut 1999.- 277 en 319 p; Monumenta Literaria Neerlandica X,1 en X,2, 24,5 cm
ISBN 90-802696-7-0 Prijs: f 95,-
Aan belangstelling voor de geschiedenis van de Nederlandse esthetica en voor de geschiedenis van die geschiedenis heeft het in het laatste decennium bepaald niet ontbroken. Toen verscheen de veelomvattende inventarisatie Kunst op Schrift, bezorgd door Jacqueline de Man en anderen (Leiden 1993). Uit dezelfde tijd dateert de artikelenbundel Tussen classicisme en romantiek, als deel van de reeks ‘Rotterdamse Filosofische Studies’ geredigeerd door H. Krop en P.Sonderen (Erasmusuniversiteit 1993). Recent is de dissertatie van laatstgenoemde over de esthetica van Hemsterhuis (Leende 2000). De literatuurtheorie profiteerde mee van de aandacht die de esthetica te beurt viel. G.J. Johannes publiceerde onder andere De lof der aalbessen over de literaire theorievorming in de periode 1770-1830 (Sdu 1997; IJkpunt 1800) en J.Th.W. Oosterholt behandelde in zijn proefschrift De ware dichter (Assen 1998) de Nederlandse poëticale discussie in de jaren 1775-1825. Het Nederlandse sentimentalisme en de discussie die Feith en De Perponcher daarover hebben gevoerd werden behandeld door Annemieke Meijer in haar studie The Pure Language of the Heart. Sentimentalism in the Netherlands 1775-1800 (Amsterdam-Atlanta 1998). Eerder publiceerde Buijnsters over Feith en Van Alphen zijn bekende studies die een onverminderd gezag genieten. Inmiddels doet zich voor verder onderzoek de behoefte gevoelen aan betrouwbare en goed geannoteerde uitgaven van poëticale geschriften uit de overgangsperiode van achttiende naar negentiende eeuw. Mevrouw Jacqueline de Man die zich met haar aandeel in de genoemde kunsttheoretische bibliografie en een artikel over achttiende-eeuwse literaire taal reeds op het betreffende terrein had begeven, heeft de bestaande leemte op een essentieel punt verkleind door haar uitgave van belangrijke literair-theoretische geschriften van Hiëronymus van Alphen. Algemeen wordt thans immers toegegeven dat Van Alphen door zijn systematische benadering van de literaire esthetica een unieke vernieuwende rol heeft gespeeld. Hij heeft zich, zoals De Man dit uitdrukt, opgeworpen als bemiddelaar tussen de Europese, abstract-filosofische esthetica en de meer praktisch gerichte Nederlandse literaire theorie (II, p. 12). Hierbij moet wel opgemerkt worden dat Van Alphens functioneren als intermediair een eenzijdige is geweest: Nederland was ontvangende, niet de gevende partij.
De Man promoveerde op haar tekstuitgave in 1997 aan de Nijmeegse Universiteit. Door omstandigheden moest het tot najaar 1999 duren voor het werk in de reeks Monumenta Literaria Neerlandica kon verschijnen. De publicatie omvat een deel 1 met teksten en een deel 2 met commentaar. Het tekstdeel mist merkwaardigerwijze een inhoudsopgave, wat hinderlijk is voor de gebruiker. De aangebrachte voetregels zijn handig maar nemen dit inconveniënt niet helemaal weg. De fraai afgedrukte teksten laten zich overigens aangenaam lezen: Van Alphen zou er zeker tevreden over zijn geweest. Hoe hier bij de uitgave van zijn geschriften te werk is gegaan, wordt in het commentaardeel in paragrafen over presentatie en tekstconstitutie minutieus uitgelegd en roept geen bezwaren op (I, p. 61-64); een lijst met tekstcorrecties voegt zich bij deze uitleg (I, p. 225-228).
Verder voornamelijk over het commentaardeel. Allereerst vraagt de verantwoording van de selectie der teksten de aandacht. Dat de editie als studie-uitgave wordt aangeboden, is daarbij van veel belang. Zij omvat drie teksten. Deze keuze begint met de inleiding die Van Alphen toevoegde aan Theorie der schoone kunsten en wetenschappen (Utrecht, Deel I 1778 en Deel II 1780; Van Alphens inleiding vooraan in Deel I), een bewerking van Theorie der schönen Künste und Wissenschaften door de Duitser Friedrich Justus Riedel die deze verhandeling in 1767 te Jena publiceerde en in 1774 in Wenen, volgens het voorwoord vrijwel ongewijzigd, opnieuw uitgaf. Van Alphen voorzag zijn bewerking, aldus De Man (II, p. 7), van veel voorbeelden uit de Nederlandse dichtkunde en van aanvullende literatuurverwijzingen. De studie-uitgave verschaft de lezer Van Alphens inleiding, maar laat de omvangrijke Riedel-bewerking weg. De tweede en derde tekst uit de editie-De Man vormen samen Van Alphens Digtkundige verhandelingen (Utrecht 1782), te weten: een ‘Inleidende verhandeling over de middelen ter verbetering der Nederlandsche poëzij’ en de ‘Verhandeling over het aangeboorne in de poëzij’. Ze zijn in de oorspronkelijke editie door middel van strepen in stukken verdeeld, een tekstopbouw die De Man in haar uitgave met voetregels meer reliëf heeft gegeven. In de ‘Inleidende verhandeling’ etiketteren hier, na een kort gedeelte zonder nadere karakteristiek, de labels ‘poëtische taal’, ‘harmonie’, ‘melodie’, ‘rijmloze poëzie’ en ‘theorie en kritiek’ Van Alphens beschouwingen, stuk voor stuk verantwoorde aanduidingen. De ‘Verhandeling over het aangeboorne’ is voorzien van de voetregels ‘de dichterlijke genie’, ‘teergevoeligheid’, ‘verbeeldingskracht’ en ‘neiging en vermogen tot harmonische uitdrukking’, waarbij begin- en slotgedeelte van deze beschouwing zonder specificatie blijven. Verschillende van deze formules hebben betrekking op brandpunten van de toenmalige poëticale theorievorming in het buitenland. In de Republiek waren weinig letterkundigen daar goed van op de hoogte, wat door Van Alphens verhandelingen ging veranderen. Onderwerpen als de genoemde brachten toen ook hier polemische pennen in beweging. Dit onderstreept het belang van Van Alphens rol als theoreticus. Het legitimeert ook de uitgave die De Man heeft gerealiseerd ten volle. De voortreffelijke wijze waarop zij zich van de taak heeft gekweten die het ‘voormalige Bureau Basisvoorzieningen Tekstedities’ haar had toevertrouwd, verdient dan ook alle lof. Het valt alleen te betreuren dat het om een zeer onvolledige uitgave van Van Alphens literair-theoretische geschriften gaat. De titel van de editie moet het terecht zonder bepaald lidwoord stellen.
Drie belangrijke literair-theoretische teksten van Van Alphen zijn in deze studie-uitgave opgenomen. Wie verder wil studeren, of vergelijkende constateringen wil doen om te weten te komen, hoe Van Alphens literaire denkbeelden zich later ontwikkeld hebben, moet de originele edities zelf bezitten of is als vanouds aangewezen op een goede bibliotheek. Een gemiste kans? Misschien had het ‘voormalige Bureau’ dieper in de beurs moeten tasten en een opdracht van grotere omvang moeten uitschrijven, te realiseren door meer dan één uitvoerder. Dan was de helft van het werk niet blijven liggen waarmee, om ieder misverstand uit te sluiten, allerminst gezegd wil zijn dat De Man, voor zover haar editie reikt, half werk heeft geleverd. Zelf gaat zij overigens meermalen op de gekozen beperkingen in. Eerst met de korte mededeling dat Van Alphen later nog de Verhandeling over de Kenmerken van waar en valsch Vernuft, als ook over de Behoedmiddelen tegen het laatste en ‘enkele kleinere essays’ gepubliceerd heeft (II, p. 5, 10). De lange studie over het ‘Vernuft’ die in 1788 door de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde werd gepubliceerd als antwoord op haar prijsvraag uit 1782, is volgens Buijnsters een ‘direkt vervolg’ op de Digtkundige verhandelingen -- die De Man wél opneemt -- en vormt niet minder dan ‘de sluitsteen’ van Van Alphens poëtica (Hieronymus van Alphen, p. 170, 172). Dat dit stuk moest vervallen is dus merkwaardig en de keer dat er in het commentaardeel toch gebruik van wordt gemaakt, blijkt helaas aanvechtbaar. Het gaat immers niet aan met de Verhandeling uit 1788 uit te leggen wat Van Alphen in 1782 onder ‘(valsch) Vernuft’ verstond (II, p. 168). Juist over de verstandelijke kant van het dichtproces was hij inmiddels anders gaan denken. De Man erkent vervolgens: Van Alphen verrijkte de verhandeling van Riedel met veel voorbeelden uit de Nederlandse poëzie (II, p. 7), maar acht toch een heruitgave ervan niet nodig. Het is immers toch maar een ‘bewerking’ en ‘niet zo interessant’ (II, p. 10). Waarna weer grif wordt erkend dat Van Alphen de Riedel-bewerking en zijn Digtkundige Verhandelingen als een ‘samenhangend geheel’ had bedoeld (II, p. 12). In de door De Man wél uitgegeven inleiding op die bewerking komen slechts twee verwijzingen voor naar de -- Duitse -- Riedel, wat de lezer geen soelaas biedt. De Perponcher kritiseerde in een gedrukte brief Van Alphens inleiding en -- vooral -- het eerste deel van de Riedel-bewerking uit 1780. De aangevallene verdedigde zich met een ‘Antwoord’ dat hij plaatste aan het begin van het Riedel-deel uit 1782. Het is een belangrijk stuk, omdat het niet slechts een repliek is op De Perponchers bezwaren maar ook een tekst waarin het, naar De Man erkent, over belangrijke dingen gaat zoals de kenmerken van lyrische poëzie ( II, p. 10) en de door Van Alphen afgewezen idealiserende, imitatieve kunstopvatting van Ch. Batteux ( II, p. 53). Een behandeling van Van Alphens ‘Antwoord’ in De Mans hoofdstuk over receptie, steunend op een publicatie van J.J. Kloek en voorzien van enkele citaten, maakt het ontbreken van dat ‘Antwoord’ niet goed. Een adequate studie-uitgave had al deze onderling samenhangende teksten moeten bevatten. Was er door het ‘voormalige Bureau’ maar aldus beslist.
Afgezien van dit principiële bezwaar valt er aan de ‘Inleiding’ en toelichtingen die De Man in het commentaardeel presenteert, veel te waarderen. Met name de korte beschouwingen die voorafgaan aan elke nieuwe tekst, respectievelijk belangrijk onderdeel daarvan (bijvoorbeeld II, p. 69-70, 116-117, 134-135, 143-144, 169-170, 184-185, 204-205, 216-217) zijn mooie stukken. De Man constateert dat de inleiding op Riedel en de Digtkundige verhandelingen sterk verschillen: de eerste is een scherp geformuleerde programmatische tekst, oproepend tot bestudering van de esthetica, de andere twee behandelen deelaspecten (II, p. 12-13). Steeds zet Van Alphen zich af tegen de hier te lande nog machtige rationalistische kunsttheorie, ‘een traditie die haar wortels [had] in het classicisme’, aldus De Man (II, p. 13). De omgekeerde zienswijze was duidelijker geweest: het classicisme als kind van van het rationalisme. Er heerste hier geen wijdverbreid gevoel van literaire malaise, zoals De Man terecht tegen E. Wiskerke opmerkt (II, p. 42). Wel protesteerde men reeds voor het optreden van Van Alphen daar aanleiding toe had gegeven tegen kritiek op onze cultuur, geleverd door Engelse en Duitse empiristische filosofen en literatuurtheoretici van de nieuwe gevoelspoëtische richting. Vreemd eigenlijk, want de Republiek was eens de poort geweest waardoor het Engelse empirisme het continent was binnengekomen.
In tekst I suggereert Van Alphen dat de Nederlandse poëzie in verval verkeert en beveelt de filosofische bestudering van poëzie aan als remedie. Hij noemt een lange rij van buitenlandse beoefenaars (I, p. 12-15) van wie hij vooral J.G. Sulzer en lord H.Kames waardeert. Immanuel Kant, auteur van Beobachtungen über das Gefühl des Schönen und Erhabenen (1764) ontbreekt, wat in het commentaar niet wordt opgemerkt. Van Alphen had makkelijk over dat werk kunnen beschikken, want het stond bij zijn zwager Van Goens in de kast (Wille II, p. 326). Vermelding door van Alphen had wellicht de receptie van de kantiaanse esthetica in Nederland wat vervroegd. De centrale gedachte in Van Alphens inleiding is dat ook het genie niet autarkisch is, maar een ‘voorraad-schuur’ vol schoonheidsidealen, te cultiveren door oordeel en smaak welke op hun beurt wijsgerige vorming behoeven (I, p. 19). Daarin is Van Alphen geen vroege romanticus maar aanhanger van een retorisch-expressieve poëzie-opvatting, zoals De Man bondig vaststelt. De talrijke auteursnamen, verwijzingen en citaten waarvan Van Alphen zijn inleiding heeft voorzien, zijn door De Man voorbeeldig toegelicht, zoals zij ook voor de volgende twee teksten heeft gedaan, een Herculesarbeid. Slechts af en toe valt een onjuistheid op. Zo is de Apologie d'Homère et bouclier d'Achille van J.Boivin niet alleen gericht tegen Houdart de la Motte maar ook tegen Mme Dacier (II, p. 84).
Tekst II was door Van Alphen bedoeld als een instructie om de veronderstelde ‘agterlijkheid’ van onze dichtkunst weg te nemen (I, p. 57). Wat betreft de poëtische taal wordt onder anderen Klopstock gevolgd (I, p. 58) en ‘zinnelijk’ taalgebruik aanbevolen, wat De Man vertaalt als taal die zintuiglijke gewaarwordingen oproept ( II, p. 97). Van Alphen doet aanbevelingen om de ‘harmonie’, de overeenstemming tussen klank of ritme met de inhoud van de taal, te vergroten en kiest daarbij een positie die De Man zorgvuldig lokaliseert als gelegen tussen die van de overigens door Van Alphen bestreden Batteux en diens criticus Schlegel (II, p. 117). Onder het hoofd ‘melodie’ behandelt Van Alphen vooral metrische kwesties waarvan De Man een handig overzicht samenstelt (II, p. 134-135). Waar zij Van Alphens strijd tegen de ‘ancipites’ weergeeft, lettergrepen waarvan de lengte niet zonder meer te bepalen is, meldt zij dat het Nederlands ‘in vergelijking met andere talen veel éénlettergrepige woorden kent’ (II, p. 135). Dat is niet precies wat Van Alphen daarover op gezag van de Twe-spraack beweert (I, p. 98). In rijm ziet Van Alphen in veel gevallen meer na- dan voordelen.
Van verhandeling III verschaft De Man aan het begin van haar commentaardeel een goede structuuranalyse (II, p. 30-34). Haar samenvatting van de geschiedkundige vestibule van deze beschouwing (II, p. 169-170) signaleert duidelijk Van Alphens drievoudig vertrekpunt: klimaat en politieke situatie hebben geen beslissende invloed gehad op het ontstaan van poëzie zoals door Montesquieu en Winckelmann was betoogd, de opvatting dat de eerste taal poëzie is geweest roept vraagtekens op en uit biografieën van dichters valt zelden wat te leren over de dichterlijke geest. Indien zich ergens laat vaststellen dat Van Alphen nogal eclectisch te werk gaat, is het hier. Worden er bijvoorbeeld oude vaderlandse schrijvers genoemd, dan wél Van Velthem en Stoke (I, p. 166) maar bijvoorbeeld niet De Casteleyn en Houwaert die toen eveneens bekend waren. De Man wijst op dit eclecticisme (II, p. 32). Bij het vitale begrip ‘dichterlijk genie’ maakt Van Alphen onderscheid tussen ‘aangeboren’: eigen aan één persoon, en ‘ingeschapen’: eigen aan iedere mens. Genie, ook de modificatie dichterlijk genie, houdt hij voor aangeboren. Waarschijnlijk is het de ‘werkende natuur’ die de zintuiglijke en intellectuele vermogens zodanig modificeert dat er verschil ontstaat tussen bijvoorbeeld dichterlijk en picturaal genie. Van Alphen maakt verschil tussen ‘genie in het algemeen’ en ‘de onderscheiden deelen, waar uit de genie is samengesteld’ (I, 189). De Man verschaft van deze ingewikkelde materie een overzichtelijke samenvatting (I, p. 184-185). Wat minder gelukkig is zij in de formulering van een aantekening over de kenleer van Locke. Diens Essay richt zich tegen Descartes’ aangeboren ideeën, waarover -- aldus De Man -- reeds gestreden werd ‘voordat Locke zijn ideeën erover formuleerde’ (II, p. 190). Het gaat hier om de oeroude leer der ‘scientiarum semina’, in de zeventiende eeuw door onder anderen Gibieuf aangehangen en voor bestrijding van Descartes’ adaptatie daarvan hoefde inderdaad niet op Locke gewacht te worden: die werd prompt geleverd door Hobbes in zijn objecties tegen Descartes’ derde Meditatie. Van Alphen wijst evenals Locke ‘ingeschapen digtkundige denkbeelden’ af (I, p. 186), maar kan zich ook niet vinden in het radicale empirisme van Helvétius. Wat hij over dichterlijke aanleg denkt, legt hij uit in enige detailonderzoeken van die begaafdheid. Bijvoorbeeld over ‘teergevoeligheid of sensibiliteit’ die, zoals De Man toelicht, oorspronkelijkheid, ‘nieuwheid’ voortbrengt (II, p. 195). Voor de werking van de verbeelding steunt Van Alphen vooral op Sulzer uit wiens Allgemeine Theorie hij een reeks stukjes en brokken aanhaalt of parafraseert die door De Man nauwkeurig in kaart worden gebracht. Oordeel en smaak, door Van Alphen ‘ingetogenheid’ genoemd (I, p. 247), moeten de verbeelding van buitensporigheid weerhouden, een verschil met Sulzer, zoals De Man opmerkzaam signaleert (II, p. 205).
De blijvende betekenis van deze studie-uitgave bestaat ongetwijfeld in de grote acribie en kritische zin waarmee de bronnen van Van Alphen zijn opgespoord en het gebruik is aangegeven dat hij ervan heeft gemaakt. Daarbij komt dat een termenregister en een bronnenregister, het laatste uitgesplitst per werk van elke auteur, de editie zeer toegankelijk maken. Tenslotte zij de merkwaardigheid vermeld dat de bijgevoegde ‘Zusammenfassung’ meer informatie verschaft dan de daaraan voorafgaande ‘Summary’ die, andere curiositeit, in alinea 2 een fout jaartal opgeeft (II, p. 271).
| MNL Homepage | TNTL |