TNTL 119/3
Nelleke Moser
Bijlage bij ‘Van papier of uit het hoofd? De overlevering van een rederijkersrefrein’
Hieronder staan vier overgeleverde versies van het refrein op de regel ‘’t Is beter heden dan morgen gedaan’, met twee geconstrueerde niet-overgeleverde versies. S is de tekst volgens hs. Van Stijevoort (Berlijn, Staatsbibliothek der Stiftung Preussischer Kulturbesitz, Ms. Germ qu.651, fol. 218v-220r (oud), 226v-228r (nieuw)). W is de tekst volgens hs. Wils (Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 15663, fol. 82v-83v). B is de tekst volgens hs. De Bruyne (Brussel, Koninklijke Bibliotheek, II 1695, fol. 56v-57v (oud), 54v-55v (nieuw)). M is de tekst volgens hs. Michiels (Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 71 E 57, fol. 226r-226v). X en Y zijn constructies van niet-overgeleverde versies op basis van de varianten en het stemma (zie het artikel).
In versie M zijn de strofen 2 en 3 verwisseld; om een vergelijking tussen de regels te vereenvoudigen, is de volgorde in deze bijlage gecorrigeerd. Abbreviaturen zijn stilzwijgend opgelost. De varianten die ik bij de vergelijking van de afschriften heb gebruikt, zijn vetgedrukt.
Strofe 1
S1.1: Verloren siele keert omme keert
[X1.1: Verloren siele keert omme keert]
W1.1: Verloeren siele ontweecht weder omme keert
[Y1.1: Verloren sone van Gode gekeert]
B1.1: Verloren sone van Gode gekeert
M1.1: Verloren sone van Gode gekeert
S1.2: bekent, belyt, bescreyt, v sonden groot
[X1.2: bekent, belyt, bescreyt v sonden groot]
W1.2: bekent belyt bescreyt v sonden groot
[Y1.2: bekent, beweent, betert v sonden groot]
B1.2: bekent, beweent, en [-bekeert u] betert u sonden groot
M1.2: Bekent beweent betert v sonden groot
S1.3: Eer ghy wordt on[+t]goyt, ontlyft, onteert
[X1.3: Eer ghy wordt ontgoeyt, ontlyft, onteert]
W1.3: eer ghy woort ontgoet ontlyft onteert
[Y1.3: eer ghy wordt ontgoeyt, ontlyft, onteert]
B1.3: eer ghij wort ontgoeijt, ontwijt onteert
M1.3: Eer ghy wordt ontgoeyt ontlyfft onteert
S1.4: want die huden leeft, is morghen doot
[X1.4: want die heden leeft, is morghen doot]
W1.4: want die heden leeft is morgen doott
[Y1.4: want die heden leeft, is morghen doot]
B1.4: want die heden leeft, die is morgen doot
M1.4: Want die heden leeft es morgen doot
S1.5: Belyt v misdaet, hebt berou, this groot
[X1.5: Belyt v misdaet, hebt berou tis noot]
W1.5: Belyt v misdaet hebt berou tes noott
[Y1.5: Belyt v misdaet, hebt berou, tis noot]
B1.5: belijt u misdaet, hebt berou tis noot
M1.5: Belydt v sondich misdaet hebt berouw tes noot
S1.6: Staet op en gaet uwen vader inden scoot
[X1.6: Staet op en gaet uwen vader inden schoot]
W1.6: staet op gaet vwen vaeder inden schoot
[Y1.6: staet op en gaet uwen vader inden schoot]
B1.6: staet op en gaet uwen vader inden schoot
M1.6: Staet oppe gaet uwen vader Inden schoot
S1.7: doet v brulofs cleet aen eerm en ryck
[X1.7: doet v bruyloft cleet aen eerm en ryck]
W1.7: doet v [-bruijfcleet] bruyloft cleett aen aerm ende ryck
[Y1.7: haest u bidt hem genade, erm en rycke]
B1.7: haest u bidt hem genade, erm en rycke
M1.7: haest bidt hem genade arm en Rycke
S1.8: Gaet aen syn tafele, eet mit hem broot
[X1.8: Gaet aen syn tafel, eet met hem broot]
W1.8: gaet aen syn taffel eet met hem tleuende broott
[Y1.8: Gaet aen syn tafel, eet met hem broot]
B1.8: gaet aen sijn tafel, eet met hem dbroot
M1.8: Gaet aen syn tafel eet met hem broot
S1.9: Scuyt die doornen, gaet inde rosen root
[X1.9: Schout die doornen, gaet inde roosen root]
W1.9: schout de dooerenen pluckt alttyt roosen roott
[Y1.9: Schout die doornen, gaet inde roosen root]
B1.9: Schout de doornen, gaet inde roosen root
M1.9: Schouwt die doornen gaet In die Roosen Root
S1.10: en wroet mitten vercken niet int slijck
[X1.10: en wroet met den verckens niet int slyck]
W1.10: en vroet met den verckens niet int slyck
[Y1.10: en wroet met den verckens niet int slycke]
B1.10: en vroet met de verkens niet meer int slijcke
M1.10: En wroet met die verckenen nyet Int slycke
S1.11: [hier geen regel]
[X1.11: reconstructie onmogelijk]
W1.11: int bekennen syt sintte peetter gelyck
[Y1.11: reconstructie onmogelijk]
B1.11: sijt u sonden bekennende, petrus gelijcke
M1.11: [hier geen regel]
S1.12: Rouwe hebt met magdalena versyck
[X1.12: met rouwe hebt magdalena versyck]
W1.12: met berouwe hebt madalena versyck
[Y1.12: met rouwe hebt Magdalena versycke]
B1.12: met rouwe, hebt als magdaleena versycke
M1.12: Wacht v voer svyants verwyte
S1.13: betrout god als die scaeker bi hem ghestaen
[X1.13: betrout god als die scaeker bi hem ghestaen]
W1.13: bettrout godt als den schakere by hem ghestaen
[Y1.13: Betrout god als die scaeker bi hem ghestaen]
B1.13: betrout godt, als den schaker de, met hem gestaen
M1.13: Betrout Godt als dieschaker by hem gestaen
S1.14: Eer v lant verdrincke, haest maect den dijck
[X1.14: Eer v lant verdrinckt, haest maect den dijck]
W1.14: eer v lant verdrinckt haest mackt den dijck
[Y1.14: eer v lant verdrinckt, haest v maeckt den dijcke]
B1.14: eer v lant verdrinckt, haest v maeckt den dijcke
M1.14: Eer v lant verdrinckt haest maeckt uwen dycke
S1.15: tes beter huden dan merghen ghedaen
[X1.15: tes beter heden dan morghen ghedaen]
W1.15: tes beetter heden als morghen ghedaen
[Y1.15: tes beter heden dan morghen ghedaen]
B1.15: het is beter heden, als morgen gedaen
M1.15: Tes beter heden dan morgen gedaen /
Strofe 2
S2.1: Verloren soone maect v vindelick
[X2.1: Verloren sone maect v vindelick]
W2.1: Verdolde sone maeckt v vrindelyck
[Y2.1: Verloren siele, maect dat ghy wort vonden]
B2.1: verloren siele maeck dat ghij wort vonden
M3.1: Verloren siele maect dat ghy wert vonden
S2.2: peynst wie, van waer ghy sijt
[X2.2: peyst wie ghy syt en van waer ghy sijt]
W2.2: peyst wie ghy syt ende waer ghy syt
[Y2.2: peyst wie ghy syt en van waer ghy sijt]
B2.2: peijst wie en van waer dat ghij sijt
M3.2: Peyst wie ghij syt en waer ghy syt
S2.3: En gaet inden put niet al blindelick
[X2.3: En gaet inden put niet al blindelick]
W2.3: wandelende inden wech al blindelijck
[Y2.3: Staet op en gaet wt den put der sonden]
B2.3: staet op en [-q] gaet wt den put der sonden
M3.3: Staet op gaet vuyt den put der sonden
S2.4: want huden sorcht voer merghen altijt
[X2.4: Want heden sorcht voer den morghen altyt]
W2.4: sockt toch heden voor den morghen alttyt
[Y2.4: want heden sorcht voer den morghen altyt]
B2.4: werckt heden, sorcht voer den morgen altijt
M3.4: [hier geen regel]
S2.5: Haest v doet ane v suuer habyt
[X2.5: haest v doet ane v suyuer habyt]
W2.5: haest v doet aene v suyuer abbijt
[Y2.5: haest u doet aen u bruyloft habyt]
B2.5: haest u doet aen u bruijloft habijt
M3.5: haest v doet aen u bruylofts habyt
S2.6: Draecht den rock des gheloofs om profijt
[X2.6: Draecht den rock des gheloofs om profijt]
W2.6: doet v wtt den rock des tweyffels om v proffyt
[Y2.6: Draecht den rinck des geloofs om profyt]
B2.6: draecht den rinck des geloofs om profijt
M3.6: Draeght den Rinck des gelooffs om profyt
S2.7: hebt gheloue, hope, en caritate
[X2.7: hebt gheloue, hope, en caritate]
W2.7: hebt vast geloue hope ende carittate
[Y2.7: hebt hope gelooue en caritate]
B2.7: hebt hope gelooue, en charitate
M3.7: Hebt hope gelooue en Caritate
S2.8: Hoopt in god, bemint god, hebt ghene nijt
[X2.8: hoopt in godt, bemindt godt, hebt geenen nyt]
W2.8: betrout godt bemindt godt en hebt geenen nyt
[Y2.8: hoopt in Godt, bemindt Godt, draecht geenen nyt]
B2.8: hopt in godt, bemint godt, draecht geenen nijt
M3.8: hoept In Godt bemindt Godt en draeght gheenen nyt
S2.9: Doet v scaemscoyn aen sonder respyt
[X2.9: Doet v schaemschoenen aen sonder respyt]
W2.9: doet v schaemschoenen aene sonder respyt
[Y2.9: doet wt u schaemschoenen sonder respyt]
B2.9: doet [-u aen] [+ut] u schaemschoenen sonder respijt
M3.9: Doet vuyt v schaem schoen sonder Respyt
S2.10: en gaet inden wyngaert niet te late
[X2.10: En gaet inden wyngaert niet te late]
W2.10: gaet inden wijgaert vroech niet te latte
[Y2.10: En gaet inden wyngaert niet te late]
B2.10: ende en gaet inden wijngaert niet te laten,
M3.10: En gaet Inden Wyngaert nyet te late
S2.11: Wint goede druuen twort u bate
[X2.11: Wint goede druuen twort u bate]
W2.11: windt goede druyuen wordt v self batte
[Y2.11: wint goede vruchten twort u bate]
B2.11: wint goede vruchten het wort u baten,
M3.11: Doet goede vruchten tuwer bate
S2.12: Maect dat v siele veel olyen vate
[X2.12: Maect dat v siele veel olyen vate]
W2.12: mackt dat v siele veel olye vatte
[Y2.12: Maect dat v siele veel olien vate]
B2.12: maeckt dat v siele veel olie vate
M3.13: Maect dat v ziele veel olien vate
S2.13: wilt als tvrouken tot helijzeus gaen
[X2.13: wilt als tvrouken tot helijzeum gaen]
W2.13: wilt alst vrouken tot elieseum gaen
[Y2.13: wilt als tvrouken tot helijzeum gaen]
B2.13: wilt als tvrouken tot Jesum gaen
M3.12: Wilt met betrouwen tot helizeum gaen
S2.14: Quyt v scult, vouecht v in goeden state
[X2.14: Quyt v schult, vouecht v in goeden state]
W2.14: quyt v schult vocht v in goeden statte
[Y2.14: belijdt u schult, stelt u in goeden state]
B2.14: belijdt u schult, stelt u in goeden state
M3.14: Belydt v schult stelt v In goeden state
S2.15: tes beter huyden dan merghen ghedaen
[X2.15: tes beter heden dan morghen ghedaen]
W2.15: tes beetter heden als morghen ghedaen
[Y2.15: tes beter heden dan morgen gedaen]
B2.15: [+ he] tis beter heden dan morgen gedaen
M3.15: Tes beter heden dan morgen gedaen /
Strofe 3
S3.1: Verloren scaep, hoet v voor die woluen
[X3.1: Verloren schaep, wacht v voor die woluen]
W3.1: Onnosel schaep wacht v voor die woluen
[Y3.1: Verloren schaep, wacht v voer dry woluen]
B3.1: Verloren schaep, wacht v voer drij woluen
M2.1: Verloren schaep wacht v voer drye woluen
S3.2: dat lichaem der werlt ende oec uwen viant
[X3.2: dat lichaem de werelt en den vyant]
W3.2: dats tlichaem de weerelt en den vyant
[Y3.2: voer tvlees, de weirelt en den vyant]
B3.2: voer tvlees, de weirelt, en voer den vijant
M2.2: Peyst wie ghy syt voer tvleesch, de werelt en de vyant
S3.3: Al waerdj tusschen twe mueren ghedoluen
[X3.3: Al waerdy tusschen vier mueren ghedoluen]
W3.3: al waerdy tussen vier mueren ghedoluen
[Y3.3: Al waerdy tusschen vier mueren gedoluen]
B3.3: al waerdij tusschen vier mueren gedoluen
M2.3: Al waerdy tusschen vier mueren gedoluen
S3.4: ghi moet steruen, ten baet gheen onderstant
[X3.4: Ghi moet steruen ten baet gheen onderstant]
W3.4: ghy moet [-steren] steruen ten baet gheen onderstaent
[Y3.4: Ghy moet steruen en wech in een ander lant]
B3.4: ghy moet steruen, en wech In een ander lant
M2.4: Ghy moet steruen en wech In een ander lant
S3.5: Gaet te biechten snyt of den sondighen bant
[X3.5: Gaet te biechten snyt af den sondighen bant]
W3.5: gaet te bichtten snyt af den sondighen bant
[Y3.5: Staet op en gaet doet af den sondighen bant]
B3.5: staet op, en doet aff, den sondigen brant
M2.5: Staet op en gaet doet aff den swaren bant
S3.6: Neemt cruijt der penitencien in v hant
[X3.6: Neemt tcruijs der penitencien in v hant]
W3.6: nemt dat cruys der penitentie indie handt
[Y3.6: Neemt tcruijs der penitencien in v hant]
B3.6: nemet cruijs der penitencien in u hant
M2.6: Neempt tcruijs der penitentien In v hant
S3.7: en laet v leet syn, v sondighe wercken
[X3.7: en laet v leet syn v sondighe wercken]
W3.7: en laet v leet syn v sondighe wercken
[Y3.7: en laet v leet syn v sondighe wercken]
B3.7: en laet u leet sijn, u quade wercken
M2.7: En laet v leet syn v sondighe wercken
S3.8: Vreest goods oordel, scuut der hellen brant
[X3.8: Vreest goods oordeel, scuut der hellen brant]
W3.8: vreest godts oordeel schout der hellen brant
[Y3.8: vreest godts oordeel, ontsiet der hellen brant]
B3.8: vreest godts oordeel, ontsiet der hellen brant
M2.8: Vreest Godts oirdeel ontsiet der hellen brant
S3.9: Vuecht v totten x gheboden, want
[X3.9: voecht v tot die thien gheboden wandt]
W3.9: voecht v tot die thien gheboden wandt
[Y3.9: voecht v tot die thien gheboden wandt]
B3.9: voecht u in de geboden want
M2.9: Voeght v na die thien geboden, want
S3.10: de sondaer en sal gheen salicheit verstercken
[X3.10: de sondaer en sal gheen salicheit verstercken]
W3.10: theylich ewangielieum sal v verstercken
[Y3.10: daer sonden en mach gheen duecht verstercken]
B3.10: daer sonden sijn, en mach geen duecht verstercken
M2.10: Daer sonder en mach gheen deught verstercken
S3.11: Open is den scat, der heyligher kercken
[X3.11: open is den schat der heyliger kercken]
W3.11: den schat is open der heylieger kerken
[Y3.11: open is den schat der heyliger kercken]
B3.11: open is den schat der heijliger kerken
M2.11: open es den schat der heyleger kercken
S3.12: Die priester wacht leken ende clercken
[X3.12: De priesters wacht [...] leken en clercken]
W3.12: de priesters wacht nae v lecken en clercken
[Y3.12: De priesters verwacht daer leecken en clercken]
B3.12: de pristers verwachten daer leecken en clerken
M2.12: Die hille verwacht daer leecken en Clercken
S3.13: daermen goods ghenade duer mach ontfaen
[X3.13: daermen goods ghenade duer mach ontfaen]
W3.13: daermen godts genade macht door ontfaen
[Y3.13: wilt dauidts beteringe gade slaen]
B3.13: wilt dauidts beteringe gade slaen
M2.13: Wilt Dauidts beteringe gade slaen
S3.14: Wilt die onsekerheyt ws leuens aen mercken
[X3.14: Wilt die donckerheyt ws levens aen mercken]
W3.14: wilt die donckerheyt vant tleuen ouermercken
[Y3.14: wilt die donckerheyt ws levens mercken]
B3.14: wilt de dronckenheijt ws leuens mercken
M2.14: Wilt die duysterheyt uws leuens mercken
S3.15: tes beter huden dan morghen ghedaen
[X3.15: tes beter heden dan morghen ghedaen]
W3.15: tes beetter heden heden dan morghen ghedaen
[Y3.15: tis beter heden dan morgen gedaen]
B3.15: het is beter heden als morgen gedaen
M2.15: Tis beter heden dan morgen gedaen /
Strofe 4
S4.0: Prinche.
[X4.0: Prinche]
W4.0: Prinsse
[Y4.0: Prinche]
B4.0: Prinche
M4.0: geen opschrift
S4.1: Sydy een verloren sone
[X4.1: Sydy een verloren sone]
W4.1: Ghy syt int wesen een verloren sone
[Y4.1: Sydij een verloren sone]
B4.1: Sydij een verloren sone
M4.1: Prince sydij een verloren sone
S4.2: wilt om v misdaet suchten ende kermen
[X4.2: wilt om v misdaet suchten en kermen]
W4.2: wilt om v misdaet suchten en kermen
[Y4.2: wilt voer v misdaet suchten en kermen]
B4.2: wilt voer u [-s] misdaet suchten en kermen
M4.2: Wilt voer v misdaet suchten en kermen
S4.3: Gaet tot uven vader, alder duecht ghewone
[X4.3: Gaet tot uwen vader alder duecht ghewone]
W4.3: gaet tot vwen vaeder alder deucht gewone
[Y4.3: Gaet tot uwen vader, alder duecht ghewone]
B4.3: gaet tot uwen vader alder duecht gewoone
M4.3: Gaet tot uwen vader alder deught gewone
S4.4: laet tranen van berou v verwermen
[X4.4: Laet traenen van berou v verweruen]
W4.4: laet traenen van berouwen v verweruen
[Y4.4: Laet v tranen van berou verweruen]
B4.4: laet hem tranen van berou verweruen
M4.4: Laet v tranen van berouwe verwermen
S4.5: Begheerdi ghenade, hy sal uwer ontfermen
[X4.5: Begheerdi ghenade, hy sal uwer ontfermen]
W4.5: begerdy genade hy sal v ontfermen
[Y4.5: Begeert genade, hy sal ws ontfermen]
B4.5: begert genade, hij sal ws ontfermen
M4.5: Begeert genade hy sal uws ontfermen
S4.6: Minlick cussen, en nemen in syn ermen
>[X4.6: Minnelyck cussen en nemen in syn ermen]
W4.6: minnelyck kussen en nemen in syn ermen
[Y4.6: Minnelyck kussen ontfangen in syn ermen]
B4.6: minnelijck cussende, ontfangen v in sijnen ermen
M4.6: Minlyck cussen ontfangen In syn ermen
S4.7: syn ryke als syn erfghenaem gheuen
[X4.7: syn rycke als syn erfgenaem geuen]
W4.7: syn Rycke als syn erfgename geuen
[Y4.7: syn rycke u als syn erfgenaem geuen]
B4.7: sijn rijck, u als sijn erffgenaem geuen
M4.7: Syn Rycke v als syn erffgenaem gheuen
S4.8: Hy sal u voeden, op houwen, bescermen
[X4.8: Hy sal u voeden, ophouwen, beschermen]
W4.8: hy sal v voldoen op houwen bescreuen
[Y4.8: hy sal v voeden, ophouwen, beschermen]
B4.8: hij sal v voeden, op houden en beschermen
M4.8: Hy sal v voeden ophouwen beschermen
S4.9: Vergheuen v voerleden quade termen
[X4.9: Vergheven v voerleden quade termen]
W4.9: vergeuen v verloeren quade termen
[Y4.9: vergheven u voerleden quade termen]
B4.9: [+en] vergeuen v, v voerleden quade termen
M4.9: Vergheuende voerleden quade termen
S4.10: [hier geen regel]
[X4.10: u [... niet te construeren...] misseyt, misschreuen]
W4.10: v sonden mesdanelyck messeyt messchreuen
[Y4.10: u fouten, misdaen, misseyt, misschreuen]
B4.10: u foute misdaen, misseijt en misschreuen
M4.10: U faulten misdaen misseyt mischreuen
S4.11: betert heden v sonden bedreuen
[X4.11: betert als heden v sonden bedreuen]
W4.11: bettert als heden noch v sonden bedreuen
[Y4.11: betert u sonden als heden bedreuen]
B4.11: betert u sonden als heden bedreuen
M4.11: Betert v sonden als heden bedreuen
S4.12: Ghy en weet niet, of ghe selt morgen leuen
[X4.12: Ghy en weet niet of ghe morgen sult leuen]
W4.12: ghy en weet niet oft ghy tot morghen sult leuen
[Y4.12: ghy en weet niet oft ghy morgen sult leuen]
B4.12: ghij en weet niet oft ghij morgen sult leuen
M4.12: Ghy en weet nyet oft ghy morgen sult leuen
S4.13: neemt haest den staet van gracien aen
[X4.13: neemt haest den staet van gratie aen]
W4.13: nempt aest den staet van grattie aen
[Y4.13: staet op en gaet [...niet te construeren...] gratie ontfaen]
B4.13: staet op en gaet ghij sult gratie ontfaen
M4.13: Staet op en gaet wilt gratie ontfaen
S4.14: En bekent altyt prinche verheuen
[X4.14: en bekent altyt prinche verheuen]
W4.14: bekent v seluen edel prinse verheuen
[Y4.14: Ghy wetet doch wel prinche verheuen]
B4.14: ghij wetet doch wel prinche verheuen
M4.14: Ghy wetet doch wel Prince verheuen
S4.15: tes beter huden dan merghen ghedaen
[X4.15: tes beter heden dan morgen ghedaen]
W4.15: tes beetter heden als morghen ghedaen
[Y4.15: tes beter heden dan morgen gedaen]
B4.15: Het is beter heden, [-d] als morgen gedaen
M4.15: Tes beter heden dan morgen gedaen/
| MNL Homepage | TNTL |