MNL

Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde


ISSN 0040-7550
Omslag
Algemene informatie   Aflevering 122-1 (maart 2006)   Archief   Binnenkort in dit tijdschrift   Richtlijnen voor auteurs
 

Jan Konst

Het vrouwelijke perspectief: pastorale liefdesklachten van Jan van Broekhuizen (1649-1707) en Charlotte Lochon († 1689)

TNTL 122-1 (maart 2006), 54-69

Bijlage (alleen op deze website)

In het navolgende worden de gedichten 'Veldman' (Van Broekhuizen) en ' 't Klagende Zwaantje' (Lochon) integraal weergegeven naar de volgende editie:

Jan van Broekhuizen, Gedichten, op nieu by een vergadert, en met verscheide noit voorheen gedrukte vermeerdert, hier is by gevoegt het Leven des Dichters, Amsterdam: Gerard onder de Linden, 1712.

 

Veldman, herderszang

[Van Broekhuizen 1712, p. 13-15]

 

Godinnen groenbemost des Amstels (want gy weet

 

Van Veldmans oude min, en Zwaantjes harteleet,

 

Toen zy haar lieven troost een wijltje moest ontbeeren)

 

'k Zal Zwaantje aan uwen boort dit deuntje gaan vereeren,

5

Dit deuntje laag van toon: zy zong 't aan uwen boord,

 

En 't luistergrage riet zei 't aan de boomen voort.

 

O schoone Vecht, die met uw zilverklaare horens

 

Bewaakt d'aloude pracht der Bisschoplijke torens;

 

O schoone Vecht, in wie ik mijn behagen vin,

10

Gy draagt in uwen arm de hoop van mijne min.

 

Mijn Veldman dobbert in uw wedde, en streelt met zingen

 

Uw Nimfen slibberglad, die naau zich zelf bedwingen

 

In d'overmaat van vreugde, en beuren op 't geluit

 

Groene oogen en groen hair ter glaze kamer uit.

15

Zoo zong in wilde zee en baren ongemeten

 

Arion, op den rug eens dollefijns gezeeten,

 

En lokte 't Godendom rontom zich, daar hy zat,

 

En kemde met zijn spel de woest golven gladt.

 

Maar och! uw Nimfen, och! uw Nimfen zijn den knapen,

20

Den schoone knapen, bits. Zy zullen zich vergapen

 

Aan mijnen Veldmans jeugd, aan zijne lokken blond,

 

Aan zijner oogen vuur, aan 't purper van zijn mond.

 

Neen, neen. Het heugt my wel wat Veenrijk te verhalen

 

Van 't knaapje Hylas plagt, en van Alcides dwalen:

25

Hoe hem Nychea, die de lent ten ooge uit ziet,

 

Verstak in 't blanke nat en dichtbegroeide riet:

 

Hoe hem Alcides zogt, te jammerlijk verlegen,

 

Door hegge, en struiken, en door ongebaande wegen:

 

Hoe d'Echo, daar hy dol van min het wout doorliep,

30

Hem nabaude op zijn kreet, en Hylas, Hylas riep.

 

My dunkt, ik zieze alreets met hand en oogen vryen:

 

Hoe dugt ik, arme maagd, der Nimfen roveryen,

 

En dat my 't zelve, 't geen Alcides, overkom!

 

Breng Veldman, windeke, breng Veldman wederom.

35

Of zou 't hem lusten wel, in Stigtse landeryen

 

Te koesteren zijn ziel in nieuwe lekkernyen?

 

In nieuwe liefde zich te wentlen, my tot straf,

 

En wenden 't weiflend hart, och arm! van Zwaantjen af?

 

Zou hem mijn boersheid en onnozelheit vervelen?

40

Zou in uitheemse pracht hy daar zijn oogen streelen?

 

En gapen zich aan 't schoon der Stigtse meisjes stom?

 

Breng Veldman, windeke, breng Veldman wederom,

 

Breng Veldman wederom. My past het, my, te branden

 

In dat gewenste vuur, te wachten van die handen

45

Mijns levens lieve wet, te kussen zacht en mals

 

De roosjes van dien mond, te hangen aan dien hals.

 

Maar och mijn leven! och mijn schat! mijn uitverkoren,

 

Dat niet uw Zwaantjen om een ander ga verloren!

 

Dat niet een ander my vervreemd' mijn' bruidegom!

50

Breng Veldman, windeke, breng Veldman wederom.

 

Ik zal, ô windeke, mijn teere handjes reppen

 

Om tijm en lely in een kransje te verscheppen,

 

En huwen marjolein aan Venus witte blom.

 

Breng Veldman, windeke, breng Veldman wederom.

55

Ik zal, ter eeren u, in 't krieken van den morgen

 

De zon verrassen, en met eenen mijne zorgen:

 

En zingen, hoe uw geur de geurge bloemen tart,

 

En hoe van Chloris u de minne sloeg om 't hart:

 

Hoe op uw Bruilof quam de Mei haar hooft op beuren,

60

En zwol ter knoppen uit met hondertduizend kleuren,

 

En heete u wellekom: hoe gy van lieverlee

 

Haar strookte, en hoe haar jeugd uw blaasjes zwoegen deê.

 

Gy zult op mijne beê, zoo ras gyze hebt vernomen,

 

Mijn woordjes lezen op, en fluitenze in de boomen,

65

In 't bosje, dat aan Pan zyn oor heeft opgezeit,

 

En op uw adem bol ten dans zyn takjes leid.

 

Dan zal in overvloed van vreugde d'Amstel zwemmen:

 

Dan roept het bos u toe, met hondert mengelstemmen,

 

En 't leuterige ried, in digtgestuwden drom:

70

Breng Veldman, windeke, breng Veldman wederom.

 

 

'T Klagende Zwaantje

[Van Broekhuizen 1712, p. 16-18]

 

Godinnen groen bemost, met regt mogt ik wel klagen,

 

Nu trouwelooze min myn Veldman heeft ontdragen,

 

En heb den wint vergeefs gesmeekt omtrent uw boord;

 

't Is waar, 't nîeuwsgierig riet zei 't aan de bomen voort,

5

En luisterde dit zagt: ('t komt my nu eerst te voren,)

 

Eylaas! dees droeve Maagd gaat door de min verloren,

 

En zoekt haar heil en troost nog aan den ligten wind;

 

Die d'ongestadigheid, en nimmer trou bemint.

 

Wee mijn bedroefde ziel, moet ik dan Veldman derven.

10

En moet ik door mijn trou, en om zijn liefde sterven,

 

Moet ik door wufte min, eylaas! dan zyn veragt,

 

En hem in weelde zien, daar ik in leet versmagt?

 

Moet ik dan troosteloos, en zonder hope zwerven?

 

Ag! mogt ik hopende, en noit genietend sterven,

15

Of dat hy zich als vriend vertoonde maar in schijn,

 

Dan zou ik nog vernoegt in al mijn lijden zijn.

 

Maar neen 't is al vergeefs. zyn ontrou stopt haar ooren,

 

En wil geen naar geklag, nog treurig zugten hooren.

 

De lauwe traantjes, die door droefheid my ontvliên,

20

Die zyn hem onbekent, hy weigertse te zien.

 

Waar berg ik my, helaas! ag! Echo hebt medogen,

 

Ik ben door Veldman, als gy door Narsis bedrogen.

 

Gy leeft ter spyt zyn min, maar laas! ik kies de dood,

 

En lief hem nog, schoon hy my van zyn min ontbloot,

25

En berg my met dit leet, en laat ik veylig schuilen,

 

By u in eenzaamheit, in d'aldernaarste kuilen;

 

Daar ik mijn droeve min naar eisch betreuren mag.

 

Hoe! antwoordt gy dan niet als met een schampren lach,

 

Daar ik voor dezen u mijn zielsgeheim vertelde?

30

'T scheen of gy my toeriept, Ik zal uw smart niet melden;

 

Zoo dat ik onbeschroomt aan u, in d'ope lugt,

 

Quam offren deze klagt, met een mijn laatst gezugt.

 

Maar gy verschuilt heel schuw: 'k hoor niet als vremde stemmen,

 

Die door een naren galm mijn ziel nog meer beklemmen.

35

'K hoor niet als zugt op zugt, en klagen wêe op wêe,

 

'T is of dit gantsche dal myn eygen lijden lêe.

 

Ey, gun my, schuwe Maagd, dat ik mijn droevig weenen,

 

Gelijk een Zwanezang, mag bergen in uw steenen:

 

Wanneer door natuur het leven word ontzeid:

40

En zy met volle vreugd zich tot de dood bereid:

 

Zo zal ik my, ô Nimf, naar 't sterven gaan begeven,

 

En dit verliefde hart opoffren met dit leven

 

Aan hem dien ik niet waerdigh agt, te zijn genoemt,

 

Die door zijn trouwloosheid my tot dit offer doemt;

45

En zenden zijn gevley, met al 't aanminnig smeken,

 

Voorheen aan my gepleegt, hem weder tot een teken:

 

Waar door hy tot geheug magh komen van dien tijd,

 

Dat ik, als afgodin, door tranen wierd gewyd,

 

Die zijn verliefde ziel uitstortte door zijne oogen;

50

En hoe hy menigmaal ter aarde lag geboogen,

 

En zeide: O schoone maagt, 'k geloof dat Vrou Natuur,

 

Toen zy uw oogjes schiep, dat element van vuur

 

Alleen genomen heeft, om my dus aan te randen,

 

Want hunne minste straal doet my het harte branden,

55

En quynen door de min. o ambrozijnen mond,

 

Uw levendig koraal verwyt den Morgenstond

 

Zijn traagheyd, want hy my veel tijdiger komt wekken,

 

Daar uw aanminnig blos my 't Morgenrood doet strekken.

 

Dit zeyde hy zo vaak, met een bestorven mond,

60

Verzelschapt met gezught; dit was de regte vond,

 

Om een mewarig hart, al was het schuw', te vangen.

 

Zoo bleef ik Zwaentje vast in Veldmans strikken hangen.



 

| MNL Homepage | TNTL |